Gloeilamp

Er is geen ontkomen aan, de gloeilamp heeft z’n langste tijd gehad. Reden voor een klein requiem in citaten.

De gloeilamp is in 1854 uitgevonden door de Duitse opticien Heinrich Göbel, maar sterk verbeterd door Thomas Alva Edison, die in oktober 1879 zijn gloeilamp presenteerde. In 1881 zorgden de lampen van Edison voor een sensatie op de wereldtentoonstelling in Parijs.

Hier sprak men aanvankelijk van de Edisonsche elektrische lamp. Het woord gloeilamp duikt in 1883 voor het eerst op. Zo schreef de Amsterdammer op 7 januari 1883: ,,Om een goed huis van matige afmetingen volledig te verlichten zonder behulp van gas, olie of kaarsen, zijn ongeveer noodig 100 gloeilampen met een lichtvermogen van 15 tot 18 kaarsen ieder. Om de hiertoe noodige electriciteit te leveren behoeft men 11 paardekrachten.’’

De gloeilamp verving de gaslamp, maar soms werden de houders van die oude gaslampen nog benut. Zo beschreef M.J. Brusse in 1901: ,,Drie lange gasarmen, elk met twee gloeilampen, zetten het vierkant in stil wit licht.’’

Men bleef de gloeilamp lang als nieuwerwets beschouwen. Zo meldde Bernard Canter in 1916, in een boek over zijn ervaringen in het Rotterdamse huis van bewaring: ,,Een uur lang eten ze. Onderwijl is het electrisch licht automatis opgegaan. Een nieuwerwetsche gloeilamp geeft overvloedig licht.’’

Gerard Philips richtte in 1891 zijn gloeilampenfabriek op, en al snel dacht men bij de naam Philips meteen aan de gloeilamp. Dat blijkt ook uit het bekende boek Ratje van Anne de Vries uit 1934. Als Ratje door zijn meester wordt gevraagd hoe de koning van Spanje ook alweer heette, zegt hij eerst: Sinterklaas. De meester helpt hem: ,,Ik bedoel dien koning van Spanje, van wien ik je de vorige keer verteld heb. Toe nou, dat weet je toch wel! Fi... Fi…’’ „Filips, meester’’, zegt Ratje. Waarop de meester: ,,Juist. En wat stuurde die na de beeldenstorm naar ons land?’’ De Vries vervolgt: „‘Gloeilampies, meester’, roept Ratje vroolijk. Dat weet hij best: Filips gloeilampies!... Als hij ’s avonds het raam uit kijkt, ziet hij het altijd met groote roode letters op een dak staan, heel ver weg boven de stad.’’

Een broodjeaapverhaal dat eindeloos de ronde heeft gedaan, is dat Philips natuurlijk allang een eeuwigdurende gloeilamp had uitgevonden, maar dat ze dit geheim hielden om meer te kunnen verdienen. Op 9 mei 1972 schreef Renate Rubinstein hierover in Vrij Nederland: ,,Het schijnt dat de mensen vroeger gewoon waren te klagen over Philips die best eeuwigdurende gloeilampen zou kunnen maken maar het expres niet deed, en over andere kapitalisten wier produkten op den duur toch altijd kapotgingen.’’

Over de gloeilamp in de Nederlandse literatuur zou een aardige studie te schrijven zijn. Ranzige seksscènes worden geregeld belicht door een kaal peertje – wat de boel er niet aantrekkelijker op maakt.

Slechts zelden wordt de gloeilamp in beeldspraken of in overdrachtelijke zin gebruikt. Twee uitzonderingen tot slot. In 1988 schreef Theo van Gogh in De weldoener: ,,Buiten scheen voor ’t eerst de zon sinds deze winter... Als ik ergens depressief van word is ’t wel die eerste bode van het voorjaar, zo’n waterige straal van de grote gloeilamp hierboven, die scheuten groen en opgewekte gezichten brengt.” En in 1992 schreef Marcel Möring in Het grote verlangen: ,,De maan was een enorme gevlekte gloeilamp.’’

Allemaal passages die binnenkort gedateerd zijn, door de onvermijdelijke opmars van de klimaatzuinige spaarlamp.

Ewoud Sanders

Zie ook www.nrc.nl/woordhoek