Geweten van ambtenaar moet kunnen spreken

Politieke partijen winkelen te selectief in de winkel van gewetensbezwaren voor ambtenaren. Geef hen de ruimte en leg daarvoor verantwoording af in de publieke arena, bepleit Jan van Ewijk.

Het regeerakkoord opent de weg naar ruimte voor ambtenaren met ‘gewetensbezwaren’. Dat leidt tot veel ophef. Maar het onderwerp van gewetensbezwaarde ambtenaren heeft in breder verband een lange en rijke historie, die we in de hitte van de huidige discussies maar al te gemakkelijk uit het oog verliezen (zie inzet).

De huidige discussie over ambtenaren en gewetensbezwaren (lees: ethisch-normatieve overtuigingen) heeft een andere politieke invalshoek dan het debat in de jaren ’80. Het heeft er in elk geval de schijn van dat veel en misschien wel alle politieke partijen selectief winkelen in de winkel van gewetensbezwaren.

Ruimte geven als het politiek uitkomt en bezwaren maken wanneer het politiek onwelgevallig is. Hoe geloofwaardig kan zo’n discussie over ‘gewetensbezwaren’ dan zijn?

Het is zinvoller en geloofwaardiger deze discussie te benaderen op een manier die zowel de geloofwaardigheid van de politiek bevordert, als recht doet aan de inhoud van gewetenskwesties c.q. de ethisch-normatieve dimensie in het optreden van ambtenaren.

1. Het algemene uitgangspunt is en kan blijven, dat ambtenaren hun publieke taak dienen uit te voeren.

2. Daarnaast en tegelijkertijd is het wenselijk en waardevol genuanceerd om te gaan met, en ruimte te geven aan ambtenaren die in concrete situaties, mits onderbouwd en beargumenteerd, kunnen aangeven waarom optreden voor hen in dat geval persoonlijk zeer bezwaarlijk is.

Informeel blijkt deze benadering ook in de praktijk te kunnen werken.

Een voorbeeld. In de afgelopen jaren werd vanuit Den Haag een op onderdelen hardvochtig en ijskoud vreemdelingenbeleid gevoerd. Binnenskamers is bekend dat politiemensen daaraan, ook informeel gesteund door ‘hun’ burgemeesters, en door gemeentebesturen op grond van hun geweten of ethisch-normatieve (professionele) overtuiging selectief hebben meegewerkt. Wat informeel mogelijk was, werd zichtbaar op het moment dat het Regionaal College van de Politie Twente zich in het ‘openbaar’ over deze kwestie uitsprak.

Sommigen zullen een dergelijke selectiviteit beschouwen als ongewenste ambtelijke ongehoorzaamheid, terwijl anderen deze zullen toejuichen als ‘ambtelijke courage’.

Het hangt er maar vanaf vanuit welk perspectief dit handelen bekeken en beoordeeld wordt. Met het generaal pardon in het coalitieakkoord is het perspectief van ongehoorzaamheid en ‘courage’ gekanteld.

Het is pikant maar waardevol dat in datzelfde regeerakkoord formeel ruimte wordt gemaakt voor ethisch-normatieve overtuigingen van ambtenaren.

Wat in de jaren ’80 niet bleek te kunnen, kan nu dus wel. Wat nu formeel mogelijk wordt gemaakt, geldt, mede gelet op de discussie van de jaren ’80 voor de breedte van publiek en ambtelijk handelen. Immers het selectief winkelen in ethisch-normatieve winkels is politiek ongeloofwaardig, en doet bovendien ook weinig recht aan de inhoud van wat sommigen aanduiden als geweten en anderen als ethisch-normatief kader.

Het blijft een omstreden kwestie. Volgens hoogleraar Ybo Buruma is, blijkens diens bijdrage in de bundel van Frans Denkers Moreel Kompas van de Nederlandse politie (2001) een beroep van ambtenaren op hun geweten in de vorm van een moreel kompas (juridisch) uitgesloten.

Hij schrijft: „Voor een jurist is het een onaanvaardbaar uitgangspunt dat het individuele morele kompas zwaarder zou moeten wegen dan het recht; individuen zouden dan hun eigen normen naleven in plaats van de wet. In een democratische rechtsstaat is het recht door eerlijke procedures van wetgeving en rechtspraak tot stand gekomen, terwijl voor de tenuitvoerlegging van de regels een democratisch gecontroleerde autoriteit verantwoordelijk is. In die omstandigheden kun je je niet met een beroep op de mensenrechten, de religie, de moraal of het persoonlijk geweten onttrekken aan rechtsregels.”

In dezelfde bundel wordt door anderen juist gepleit voor het geven van ruimte aan een dergelijk moreel kompas bij het uitvoeren van ambtelijke taken en het nemen van ingrijpende publieke beslissingen.

De strekking van dat pleidooi laat zich als volgt samenvatten: een moreel kompas als stelsel van zich eigen gemaakte universele beginselen van menselijkheid en menswaardigheid kan eerder beschouwd worden als een waarborg voor zorgvuldig ambtelijk handelen, dan als een gevaarlijk risico.

In Nederland zijn ambtenaren persoonlijk verantwoordelijk voor hun publieke daden.

Deze persoonlijke verantwoordelijkheid versterkt de noodzaak van ruimte, zowel formeel als informeel, voor ethisch-normatieve (professionele) kaders en/of gewetensafwegingen, óók voor ambtenaren.

Voorwaarde is dan wel dat die afwegingen bij het afleggen van verantwoording (soms vooraf en soms achteraf) in de publiek arena ook een breder gedeelde robuustheid blijken te bezitten en de toets van de publieke kritiek met goed gevolg blijken te kunnen doorstaan.

Jan van Ewijk is socioloog en hoofdinspecteur van politie. Hij is kandidaat Statenlid voor D66 in de provincie Gelderland.