Geef toe dat we China niet begrijpen

Kort na de val van de beurs in Shanghai klonken weer de bekende waarschuwingen dat het Chinese bestel zal instorten. Fareed Zakaria signaleert echter dat de gevestigde waarheden niet voor China gelden.

Economen en analisten vragen zich al een paar jaar af waar de financiële markten nu eens echt van zouden schrikken. Oorlogen, sterk stijgende goederenprijzen, hoge energiekosten, instabiele huizenmarkten – niets leek indruk te maken. Vorige week kwam er dan toch één antwoord: China. De steile duik van de beurs van Shanghai maakte de hele wereld zenuwachtig. Die reactie illustreerde het toegenomen gewicht van China in de wereldeconomie, maar ook de verwarring en de misverstanden die heersen omtrent het ‘Rijk van het Midden’.

Als een markt, zoals die van Shanghai, sinds 2006 met 150 procent is gestegen, hoef je geen diepgaande verklaringen te bedenken om in te zien dat er vroeg of laat een terugslag moet volgen. Belangrijker nog: er is geen nauwe band tussen de beurs van Shanghai en de Chinese economie als geheel. De rol van die beurs is niet vergelijkbaar met de rol die de beurs speelt in de VS of Groot-Brittannië. De meeste Chinese ondernemingen regelen hun financiering bij de bank, niet via de beurs. De afgelopen tien jaar zijn de Chinese koersen zelfs gedaald, terwijl de economie bloeide. En toch hoorde je de dag nadat de markt was ingezakt weer de oude waarschuwingen over het wankele Chinese bestel, de gevaren die het bedreigen, en de val die ieder moment kan komen.

Misschien moesten we maar eens onder ogen zien dat we China niet begrijpen. Het houdt zich eenvoudigweg niet aan onze elementairste opvattingen over hoe landen groeien. De Peruaanse geleerde Hernando de Soto heeft overtuigend betoogd dat duidelijke, solide eigendomsrechten een voorwaarde zijn voor economische groei. Alleen: China, het snelstgroeiende land uit de geschiedenis, heeft een hoogst onduidelijk, zwak stelsel van eigendomsrechten. Alan Greenspan heeft betoogd dat de rechtsorde de grondslag is van de markteconomie. Alleen: de Chinese wetten zijn een lappendeken, en ze worden niet consistent toegepast. De ‘Consensus van Washington’, die Wereldbank en IMF over de wereld hebben uitgedragen, stelt dat een valuta die zich niet vrij kan bewegen, de economie ernstig zal scheeftrekken. China heeft dat advies naast zich neergelegd, en bloeit desalniettemin. In plaats van lering te trekken uit de feiten en de theorie te herzien, nemen wij aan dat de feiten niet kloppen en dat China één grote schijnvertoning is.

Op politiek gebied is de paradox nog groter. De geleerden die het Chinese politieke bestel – een almachtige leninistische partij – bestuderen zijn er zeker van dat het afbrokkelt. Maar het regime logenstraft al 25 jaar lang de voorspellingen dat het op instorten staat. Wij weten zeker dat het Chinese volk zijn regering moet verafschuwen, maar de enige peilingen waarover we beschikken wijzen precies op het tegendeel. Enquêtes die de wetenschapper Jie Chien eind jaren negentig heeft gehouden, wezen op 80 procent steun voor het politieke bestel. Bij de vorig jaar gehouden wereldwijde enquête van het Pew Research Center werd een vraag gesteld die nauwelijks de aandacht heeft getrokken: „Bent u tevreden over de toestand van uw land?’’ Minder dan 30 procent van de Amerikanen beantwoordde bevestigend. China stond boven aan de lijst: 81 procent van de ondervraagden zei ja. Het zou kunnen dat de mensen in China enquêteurs voorliegen, maar uit andere peilingen komen dezelfde cijfers naar voren, en de Chinese bevolking spreekt wél geregeld haar afkeuring uit over corruptie, milieuvervuiling en andere beleidskwesties.

Het oordeel van burgers over hun regering berust op een complexe mengeling van culturele, historische en gevoelsmatige opvattingen. Veel Amerikanen begrijpen dat niet, omdat de grondslag van het Amerikaanse nationalisme van ideologische aard is. Wij denken dat regimes met kwalijke ideologieën hoogst impopulair moeten zijn. Daarom denken wij ook dat de Iraanse mollahs geen steun hebben in hun samenleving, dat het Russische volk Poetin als een schurkachtige dictator beschouwt, en dat Saddam Hussein zelfs door zijn sunnitische broeders in Irak werd verafschuwd.

Het wemelt van de boeken waarin staat hoe broos en zwak het bewind in Peking is – en de critici zijn vaak intelligente lieden. Maar het Chinese regime heeft de zware opgaven waarmee het wordt geconfronteerd, jaar in jaar uit bekwaam afgehandeld, zij het niet altijd met zachte hand. Op de kritieke momenten heeft het een aantal ogenschijnlijk onoplosbare problemen weten aan te pakken, terwijl het andere wist uit te stellen of te ontwijken. De Chinese leiders hebben zowel de migratie van tweehonderd miljoen boeren naar de steden als de massale werkloosheid als gevolg van de sluiting van staatsfabrieken in goede banen weten te leiden.

Zo nu en dan hebben de Chinese bestuurders de economie afgeremd om oververhitting te voorkomen. Ze hebben de grootste, snelste verstedelijking uit de geschiedenis gepland, en de maatschappelijke onvrede die het gevolg was van die onstuimige groei binnen de perken gehouden. Volmaakt is hun optreden nooit geweest, maar in vergelijking met alle andere landen van de wereld heeft China zijn problemen goed aangepakt.

Is het dan zo moeilijk om te begrijpen waarom het Chinese volk tevreden zou kunnen zijn met zijn huidige situatie? In de afgelopen eeuw heeft het land welhaast ieder decennium chaos en beroering doorgemaakt – de val van de monarchie, de oorlogvoerende krijgsheren, de Japanse invasie, de burgeroorlog, de communistische machtsovername, de Grote Sprong Voorwaarts, de Culturele Revolutie. Maar de afgelopen dertig jaar was voor China een periode van stabiliteit en van extreem snelle groei. Zo’n 350 miljoen mensen zijn uit extreme armoede verlost. Het land geniet wereldwijd een nieuw, stralend imago. Als u een Chinees was, zou u daar misschien ook wel trots op zijn.

Fareed Zakaria is columnist. © Newsweek Inc.