Franse Rus hekelde avant-garde

De Franse schrijver Henri Troyat werd vooral bekend als biograaf van grote Russische schrijvers. Met een eigen roman won hij al in 1938 de Prix Goncourt.

‘Schrijfziek’, noemde Henri Troyat zichzelf. Hij overleed gisteren op 95-jarige leeftijd in Parijs. Zijn aandoening leverde de Frans-Russische schrijver en biograaf een oeuvre van meer dan honderd boeken op. Vorig jaar verscheen nog een biografie van Pasternak en de roman La Traque. „Iedere dag dat hij niet schreef, had hij een schuldgevoel”, schrijft collega-schrijver Maurice Duron vandaag in Le Figaro. Legendarisch waren de grote slijtageplekken in Troyats tapijt voor zijn werktafel, waaraan hij staande placht te schrijven. Hij was het oudste levende lid van de prestigieuze Académie Française.

Henri Troyat werd op 1 november 1911 als Lev Tarassov in Moskou geboren, in het gezin van een zakenman. Na de Oktoberrevolutie van 1917 verhuisde hij met zijn ouders naar Frankrijk, waar hij schoolging in Neuilly. Later studeerde hij rechten, maar zijn liefde ging vooral uit naar de literatuur. In 1935 publiceerde hij zijn eerste roman.

69 jaar geleden, in 1938 won hij de Prix Goncourt voor zijn roman L’Araigne. Het boek vestigde zijn reputatie, er werden meer dan 100.000 exemplaren van verkocht. Na de Tweede Wereldoorlog werd Troyat internationaal bekend met romancycli als Tant que la terre durera (1947), waarin hij uitgebreid schreef over zijn geboorteland Rusland. Hoewel hij veel over Rusland schreef, keerde hij nooit naar het land terug. „Ik heb in mijn hoofd een eigen Rusland geconstrueerd. Ik ben bang dat ik mijn droom zou verpesten als ik terug zou gaan.”

Troyat schreef goed leesbare en veel vertaalde biografieën van talloze negentiende-eeuwse schrijvers als Dostojevski, Poesjkin, Tolstoj, Flaubert, Balzac en Alexandre Dumas. Ook publiceerde hij over de tsaren Alexander II, Alexander III en Nicolaas II.

Troyat bleef altijd ver verwijderd van de avant-garde, zijn toegankelijke roman leverden hem vaak het verwijt op een ‘populist’ te zijn. „Ik heb me altijd ver gehouden van modes als de Nouveau roman en de autofiction”, zei hij zelf. „Een romanschrijver moet schuilgaan achter zijn personages. Hij moet ze het levenslicht schenken en meteen daarna verdwijnen.”