Angelina Jolie en de As van het Kwaad

De Amerikaanse buitenlandse politiek heeft een nieuwe ‘analist’, de actrice Angelina Jolie.

Ze ging op bezoek in Soedan en schreef er een stuk over in The Washington Post.

Dat zijn nou de voordelen van een flexibele arbeidsmarkt: Al Gore die in Hollywood een Oscar verdient, terwijl Angelina Jolie op de opiniepagina van The Washington Post een lans breekt voor het Internationale Strafhof. En dat alles uiteraard voor een betere wereld.

De aandacht is Gore (en het broeikaseffect) van harte gegund, maar was die film nou écht zo goed? Of was het vooral de boodschap die bekroond is? Dat Gore nog steeds de grote ‘anti-Bush’ is, hielp natuurlijk ook. Hollywood kon zich laten gelden, en laat zo’n kans dan niet liggen.

An Inconvenient Truth mag de wereld milieubewust hebben gemaakt, maar er zit ook een hinderlijk smaakje aan, alsof dezelfde ingrediënten zijn gebruikt als voor een verkiezingsspotje. Als ik mag kiezen, op een vrije avond, dan lees ik toch liever een opiniestuk van Angelina Jolie.

Want Jolie, vergis je niet, is niet alleen van Brad Pitt, ze is ook van de Council on Foreign Relations. De respectabele Amerikaanse denktank heeft de mooiste vrouw van Amerika – al sinds 2001 goodwill-ambassadeur van de vluchtelingenorganisatie van de VN – net voor vijf jaar aan zich verbonden „om de volgende generatie internationale beleidsmakers groot te brengen”. Maxime Verhagen en Bert Koenders hadden het slechter kunnen treffen.

Vanuit een vluchtelingenkamp in Tsjaad, bij de grens met de Soedanese regio Darfur, schreef de filmster in de krant van politiek Amerika dat we blij moeten zijn dat het Strafhof bestaat. Zoals bekend vindt niet iedereen dat in Washington.

Jolie had een groep vluchtelingen uit Darfur maandag toevallig nog gevraagd wat ze nodig hadden. Betere tenten, zei de één. Geneesmiddelen, zei een ander. „Toen stak een tiener zijn hand op, en hij zei, met krachtige eenvoud: We willen een proces.”

Zo’n proces komt er nu. Dankzij het Strafhof, dat dinsdag de eerste twee verdachten aanklaagde (een hoge Soedanese politicus en een militieleider) voor de wreedheden die jarenlang tegen de bevolking van Darfur zijn begaan. „Als misdaden tegen de menselijkheid consequent en streng bestraft worden”, schrijft Jolie, „dan zullen de moordenaars voortaan andere afwegingen maken.”

Vanuit die gedachte is het Strafhof opgezet, aanvankelijk gesteund, maar later ernstig tegengewerkt door de Verenigde Staten. En nu heeft het hof, zowaar met instemming van de regering-Bush, de belangrijke eerste stap gezet naar berechting van de aanstichters van het bloedbad in Dar-fur. De machinerie van het recht is op gang gekomen – al is de situatie in het oorlogsgebied nog altijd dramatisch slecht.

Al jaren lukt het de internationale politiek maar niet om een eind te maken aan de oorlog die Arabische milities, gesteund door de Soedanese regering, voeren tegen de bevolking en rebellengroepen van Darfur. En evenmin aan de strijd die rebellengroepen onderling voeren. Jolie roept, net als velen voor haar, de internationale gemeenschap op om op de een of andere manier te interveniëren om de mensen van Darfur te beschermen. Maar hoe?

Soedan weigert in te stemmen met de komst van een gemengde vredesmacht van de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties. En er is begrijpelijk maar weinig animo in de wereld om na Afghanistan en Irak wéér een islamitisch land binnen te vallen in de hoop er gewapenderhand de vrede te kunnen afdwingen. En dus duurt de diplomatieke impasse voort.

Die pijnlijke machteloosheid werpt een lelijke smet op de Verenigde Naties en de internationale gemeenschap. Na de Balkan, na Rwanda, staan we weer met de handen in het haar toe te kijken. Daarmee dringt zich de vraag op: kun je eigenlijk wel spreken van zoiets als een internationale gemeenschap? Want als het erop aankomt kunnen we het zelfs niet eens worden over een gemeenschappelijk optreden tegen overduidelijk gruwelijk en massaal onrecht. Je hebt landen en je hebt machtsblokken, zeggen realisten, maar een internationale gemeenschap? Dat is een idealistische fictie.

Maar wie dat zegt gaat te makkelijk voorbij aan wat er wél tot stand komt. Kijk maar eens naar het Internationale Strafhof, dat er niet alleen is gekomen, maar dat nu ook langzamerhand enig vertrouwen begint te winnen van zijn grootste tegenstander, de VS. En kijk naar de vredesoperaties van de VN die wél van de grond komen. Namens de wereldgemeenschap waren er het afgelopen jaar ruim 80.000 militairen en politiemensen onder de blauwe VN-vlag actief allerlei in conflictgebieden – van het oerwoud van Congo tot de sloppenwijken van Haïti en de kale heuvels van Libanon. Volgend jaar zal de vraag nog toenemen en het aantal blauwhelmen naar verwachting met dertig procent stijgen, aldus een jaarlijks rapport over vredesoperaties dat deze week verscheen.

Er is dus kennelijk toch zo iets als een internationale gemeenschap – die soms verdeeld is, machteloos staat en hopeloos tekortschiet, maar die soms ook effectief begint op te treden.

De grote vraag waar we in deze nieuwe eeuw voor staan, stelt Robert Cooper, denker over internationale verhoudingen en hoge ambtenaar van de Europese Unie, is hoe we deze wereld organiseren, waarin politiek en identiteit nationaal zijn, maar waarin we alleen kunnen overleven en welvarend zijn als we internationaal handelen.

En niet alleen in Hollywood is die ongemakkelijke waarheid doorgedrongen. Ook in Washington lijkt het motto ‘Samen werken, samen leven’ een nieuwe kans te krijgen. Met Noord-Korea wordt onderhandeld. Zelfs met Iran willen de VS weer aan één tafel zitten. Het etiket ‘As van het Kwaad’ heeft afgedaan.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad