Wie is er bang voor een zachtgroene rechthoek?

Als de dingen een andere gedaante aannemen, begint voor kinderen en volwassenen het avontuur, ontdekt Joost Zwagerman

In het Museum Of Modern Art in New York was een overzichtstentoonstelling van Brice Marden. In de eerste zaal vormde een groep schoolkinderen een halve cirkel op eerbiedige afstand van een vroeg werk van Marden, Nebraska uit 1966. Nebraska is een zachtgroene rechthoek van ongeveer anderhalf bij twee meter. Jarenlang mengde Marden zijn olieverf met bijenwas. Daardoor is het zachtgroen van Nebraska óók diepgroen.

Ik luisterde mee naar de schooljuf. Brice Marden heeft in Amerika de status van grootmeester van na het abstract-expressionisme, en de schooljuf sprak over Marden als over een sjamaan die al schilderend tot diepe inzichten kwam. Welke inzichten, dat sloeg de juf over, maar ze toonde zoveel enthousiasme dat je haar die omissie direct vergaf. Ook vertelde de juf over die bijenwas-techniek van Marden. Zo van een afstand was het gewoon een groene rechthoek. Maar, zei ze, als je dichter bij het schilderij ging staan, dan kon je zien hoeveel warmte en reliëf en spanning er in het gelaagde groen schuilging. Er was helaas één probleem: van de suppoosten mocht je niet dichtbij het schilderij staan. Voor dat reliëf en die spanning moesten we dus blind op de schooljuf vertrouwen.

De opmerking over de bijenwas riep geen reactie op bij de kinderen. De groep bleef over het algemeen gehuld in een klem van apathie. De juf merkte dat haar wervende woorden sten op de kinderen en in lichte verwarring zocht ze haar toevlucht bij de vraag die onderwijzers, gidsen en andere didactici beschouwen als essentieel en onmisbaar bij het kijken naar abstracte kunst: ‘Wat denken jullie dat het voorstelt?’

Na die vraag keek ze hoopvol de halve kring rond. Nu ontstond er een rimpeling onder de roedel scholieren. De meesten keken niet meer naar het schilderij, maar alleen nog naar elkáár. Ze controleerden wie uit de groep zich bereid zou tonen een eind te maken aan deze netelige situatie door snel een antwoord te verzinnen.

Als je kinderen deze veelgestelde abstracte-kunstvraag stelt, vertonen ze doorgaans twee soorten reacties. Vaak beginnen ze te smalen en vertonen ze de bekende dat-kan-m’n-kleine-broertje-ook-reactie. Dat is de saaie reactie, waartegen overigens geen kruid is gewassen.

Interessanter is de reactie van kinderen die het beste voorhebben met de vragensteller. Zij weten dat er een fantasievol en liefst zo origineel mogelijk antwoord van hen verlangd wordt. Met zo’n antwoord zijn ze door de ballotage van de kunstevangelisten. Dat is een hele opluchting.

De kinderen tegenover Nebraska van Brice Marden neigden neigden naar deze tweede reactie. Met een snelle wisseling van blikken leken sommigen een ander opdracht te geven een antwoord op te dissen. Een enkeling zocht met ogen die in lichte paniek heen en weer schoten de hoeken van het schilderij af. Ze deden echt hun best – en vonden niets.

De juf zat niet bij de pakken neer en loodste de groep naar een andere monochroom werk van de kunstenaar, Nico. Hier was het zachtgroen veranderd in, om het in Flexa-termen te zeggen, ‘levend wit’. „Een stuk wolk”, zei een meisje toen de juf de vraag weer stelde. De schooljuf was opgetogen over dit antwoord. Blij bewoog ze met haar armen terwijl ze het antwoord langzaam articulerend, herhaalde. „A piece of cloud. Prachtig. En zal ik jullie eens wat vertellen? Het kunstwerk mag alles zijn wat je maar wilt.”

It can be anything you want it to be. Met al haar goede bedoelingen zei de juf het op een toon alsof ze de kinderen een geweldig cadeau gaf. De gulle geefster straalde, maar de gift kwam niet echt aan bij de groep. Je kon horen dat ze deze slogan al talloze malen op toeschouwers in musea had afgevuurd.

Kinderen vinden het niet interessant om iets dat ‘niets’ voorstelt in gedachten om te vormen tot iets dat wél iets voorstelt. Wel willen ze graag van concrete dingen een ander ding maken. Een stoel krijgt ’s nachts als het donker is ineens het uiterlijk van een ridderharnas. Een staande lamp verandert in een indrukwekkend zwaard.

Zodra de dingen aan het muiten slaan en een andere gedaante aannemen, begint voor kinderen – en voor sommige volwassenen – het avontuur. Als een stoel ineens een auto kan zijn, ontvouwt zich revolutie, anarchie, een sprookje. Tegen die sensationele transformatie legt alle abstracte kunst het in de beleving van kinderen af. Wat is spannender, een groene rechthoek die ‘alles’ kan en mag zijn wat je maar wilt, of een stoel die vanuit een bepaalde positie ineens op een auto lijkt?

Kinderen hebben intussen helemaal niet het idee dat stoel, lamp en wolk alles kan zijn wat zíjzelf maar willen. Het is juist omgekeerd: stoel, lamp en wolk onthullen hun twééde gedaante die zich onstuitbaar aan het kind opdringt. De kijker wil zelfs helemaal niets, het is het ding dat kennelijk iets van de kijker wil, en die sensatie is voor kinderen onweerstaanbaar. In vergelijking met die sensatie zijn de zalvende woorden van de kunstevangelisten maar slappe thee.

De slogan dat een abstract kunstwerk ‘alles’ kan en mag zijn wat je zelf maar wilt, heeft een devaluerende werking. Alsof er in alle abstracte kunst tóch altijd een figuratieve afbeelding schuilgaat, struggling to get out.

Zonder nog verder naar de doeken van Brice Marden te kijken, sjokten de kinderen in het MOMA achter hun schooljuf aan. In de zaal waar Nebraska hing overheerste nog enige tijd de nagalm van de kunstevangelisatie van de juf. Door die nagalm maakte Nebraska ineens een hulpeloze en fragiele indruk. Het leek alsof het onbegrip van de kinderen er niet op was afgeketst, maar naar binnen was gelekt. Het schilderij hing zich een beetje voor zichzelf te excuseren, omdat een groepje toeschouwers er niet iets figuratiefs in had aangetroffen. Ik stelde me voor dat Nebraska na sluitingstijd opgelucht adem zou halen en zich het zweet van het canvas zou wissen na weer een dag te zijn blootgesteld aan goede bedoelingen, koppig onbegrip en hooggestemde interpretatie-blabla.

Toen Sigmund Freud onder vakgenoten en leerlingen een keer een forse sigaar opstak, merkte één van hen op dat de Meester zich nu tegoed deed aan een fallussymbool. Freud reageerde eerst geërgerd, maar daarna laconiek en zei: „Soms is een sigaar gewoon een sigaar.”

Als een sigaar soms gewoon een sigaar mag zijn, dan mag Brice Mardens Nebraska, hoop ik, ook zijn wat het is: een zachtgroene rechthoek. In confrontatie met de didactische heilsleer van de kunstevangelisten is dat voor de rechthoek in kwestie al een niet geringe opgave, die onze steun en solidariteit verdient.