Wees bang voor de angst zelf

Waarom zijn zoveel markten in mineur? Een blik rond de wereld levert een aantal zorgwekkende veranderingen op, maar beleggers kunnen achter de belangrijkste reden voor de koersdalingen van de laatste dagen komen door in de spiegel te kijken.

De terugslag op de aandelen- en kredietmarkten heeft de winsten van een paar maanden uitgewist. Toch is dit nog helemaal geen echte crash. Terwijl de Vix-index van de volatiliteit van Amerikaanse aandelen binnen drie dagen met 80 procent steeg, staan de beurzen nog steeds hoger, zijn de rendementsverschillen kleiner en staat de yen lager dan een jaar geleden.

Toch moet er in de afgelopen weken wel iets zijn veranderd. De stijging van de Japanse kortetermijnrente is één factor. Daardoor is het potentiële rendement van de yen carry trade – het lenen van yen om te beleggen in hoger renderende munten – afgenomen. Verder zijn er de groeiende verliezen in de Amerikaanse hypotheeksector, terwijl grotere dreigingen op de loer liggen.

Maar de bescheiden renteverhoging door de Bank of Japan werd alom verwacht en de problemen op de Amerikaanse huizenmarkt gaan samen met hoopgevend nieuws uit andere sectoren van de Amerikaanse economie, om maar te zwijgen van de sterke groei in Europa. De belangrijkste verandering deed zich dan ook niet in de economie voor, of zelfs maar in de sfeer van de financiële omstandigheden, maar in het mysterieuze brouwsel dat ‘vertrouwen’ wordt genoemd.

De plotselinge inzinking met 9 procent van de beurs van Shanghai was genoeg om sommige beleggers en handelskantoren de kriebels te bezorgen. Zij beperkten de ‘op het spel staande waarde’ door carry trades af te wikkelen en van aandelen en leningen over te stappen op obligaties. De angst in diverse landen en op verscheidene markten is een milde besmetting gebleken, maar tot nu toe is de infectie niet ernstig. Economen hebben hun groeivoorspellingen niet neerwaarts bijgesteld en er zijn geen tekenen die wijzen op grote verliezen bij de hedgefondsen. Deze terugval lijkt nog steeds eerder een buitenkansje om goedkoop je slag te slaan dan het gevreesde teken aan de wand.

Beleggers hebben nog geen reden om te denken dat de pittige combinatie van een lage rente, lage inflatie en krachtige economische groei van de afgelopen vier jaar ten einde is gekomen. Als dat wel gebeurt, zijn er gegronde redenen om bang te zijn. Tot die tijd is het grootste risico de angst zelf.

Edward Hadas

Investeerders moeten opener worden

De sector van de participatiemaatschappijen heeft zich lang weten te verzetten tegen teveel bemoeizucht. Maar er lijkt een nieuwe consensus te zijn bereikt tussen de topmanagers van de bedrijfstak. Blackstone's Stephen Schwarzman, Carlyle’s David Rubenstein en Permira’s Damon Buffini zijn het er allemaal over eens dat de bedrijvenopkopers openheid in het vaandel moeten gaan voeren.

Maar wat behelst die openheid precies, en waarvoor is die eigenlijk nodig? Om te beginnen dienen we te beseffen dat er verschillende belanghebbenden zijn die met enig recht een stem eisen in het welvaren van de bedrijfstak: beleggers, werknemers van de bedrijven die zij opkopen, en het grote publiek.

Dat grote publiek deed er in het verleden nooit zoveel toe, omdat de participatiemaatschappijen zich meestal tot kleinere bedrijven beperkten. Maar nu het om grotere ondernemingen en om veel meer transacties gaat, spelen de activiteiten van de bedrijvenopkopers een prominente rol in de openbare meningsvorming. Er zijn discussies ontstaan over het beleid ten aanzien van participatiemaatschappijen, en over de vraag of ze hun bezittingen ‘uitkleden’ en wel genoeg belasting betalen. Om deze vragen van openbaar belang te kunnen beantwoorden, zijn de bedrijvenopkopers opener geworden. Dit is geen zaak van hogere ethiek, maar eerder van verlicht eigenbelang.

Er zijn drie praktische stappen die de participatiemaatschappijen zouden moeten zetten. In de eerste plaats moeten zij bedrijfsplannen bekendmaken voor de bedrijven die zij opkopen. Bij kleine bedrijven hoeven zij uitsluitend te praten met het personeel en de beleggers. Maar bij grote ondernemingen als TXU of, mogelijk, het Britse supermarktbedrijf J. Sainsbury, betekent openheid ook échte openheid – dus tevens naar buiten toe.

In de tweede plaats moeten ze meer bekendmaken over de manier waarop ze hun bedrijven financieren. Werknemers vrezen terecht dat buitensporige schulden de arbeidszekerheid kunnen ondermijnen. Het is verstandig die zorgen weg te nemen. Ook op dit punt moet er een verschil in benadering zijn tussen grote en kleine bedrijven, waarbij échte openheid uitsluitend vereist is voor de grote ondernemingen.

Tenslotte moet de bedrijfstak meer bekendmaken over de manier waarop zij haar inkomsten bereikt. Je zou kunnen zeggen dat dit louter een zaak is van de participatiemaatschappijen en hun beleggers. Maar nu de bedrijfstak zo groot wordt, is er ook een publieke dimensie. Buitenstaanders vragen zich af of de rendementen werkelijk het gevolg zijn van slimme besluiten en hard werken – of dat ze het product zijn van de stijgende koersen, het beleggen met geleend geld en belastingaftrek. Het zal velen in deze bedrijfstak moeite kosten om dit soort informatie te delen. Maar als het boeken van goede rendementen het gevolg is van hard werken, hebben zij iets om trots op te zijn. Als dat niet zo is, zal schuilen in het halfduister niet langer helpen.

Voor meer commentaar uit Londen:www.breakingviews.com.Vertaling Menno Grootveld