Verspaarlamping

Terug naar eerder werk. Eerst naar de spaarlamp die vorige week in het centrum stond. Het begon met een kleine vergissing van het AW-rekencentrum dat een ruwe indruk had willen geven van de besparing die spaarlampen kunnen opleveren. Bij gelijke lichtopbrengst verbruikt een spaarlamp maar 20 procent van de stroom die een gloeilamp verbruikt. Omdat zo’n 20 procent van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik naar verlichting gaat was berekend: het bespaart een fractie 0,2 x 0,2 = 0,04 dus 4 procent. Fout, natuurlijk, er moest worden gerekend met het complement: dus 0,2 x 0,8 en dat is 16 procent. Tientallen lezers trokken aan de bel.

Zestien procent! Maar groter is het zegenrijke effect dan ook niet voor te stellen. Wel kleiner. Nu huizen steeds voller worden gezet met vaatwassers, wasdrogers, cv-pompen en audiovisualia blijkt dat eigenlijk nog maar 16 procent van de verbruikte stroom voor verlichting dient. Er komt bij dat van alle elektriciteit die in Nederland wordt afgenomen maar zon 20 procent naar huishoudens gaat. De rest gaat naar scholen, kantoren en de industrie en daar zijn nauwelijks gloeilampen in gebruik. Ook komt er nog bij dat maar zo’n 15 procent van de primaire energie (kolen, olie, gas) die in Nederland wordt verstookt wordt ingezet voor elektriciteitsopwekking. Totale verspaarlamping zal hier daarom maar zo’n 0,4 procent besparing van fossiele brandstof opleveren. Dan is nog niet in rekening gebracht dat de warmte van de gloeilamp ’s winters bespaart op stookkosten en dat de consument zijn spaarlamp zeker langer laat branden dan zijn gloeilamp omdat-ie immers zo weinig stroom verbruikt. En dat in keukens, kelders en garages vaak al tl-lampen zijn gemonteerd. Vergelijk dat spaarlamp-gedoe met de fabelachtige milieuwinst die is te bereiken door het auto- en vliegverkeer aan te pakken.

Op 10 februari ging het over de sneeuw van 8 februari die niet viel maar toch veel schrik bracht. Omdat voor die dag totale ontwrichting was aangekondigd volgde de AW-redactie de weersontwikkeling van minuut tot minuut. Zo werd duidelijk dat de buienradar van het KNMI ver vooruitliep op de werkelijke gebeurtenissen. Als het volgens de radarbeelden op www.knmi.nl al volop sneeuwde kon het in werkelijkheid nog meer dan een uur duren voor er een vlok op de grond viel. Dat is vastgesteld in Rotterdam en in Amsterdam. En ook in Den Haag, laat een lezer/ radarspecialist uit die plaats weten. Ook in Den Haag viel de sneeuw ongeveer anderhalf uur later dan de radar aangaf. De Haagse lezer denkt dat de buienradar moeite heeft met het zien van sneeuw.

Maar Iwan Holleman van het KNMI ontkent dat. Medemeteorologen uit de regio merkten trouwens niet veel tijdverschil, zegt hij. En de buienradar ziet sneeuw net zo goed al regen. De radar krijgt ook veel vaker sneeuw te zien dan je denken zou want hij moet detecteren over een paar honderd kilometer afstand en de radarbundel kan alleen over de horizon heen kijken als hij schuin omhoog wordt gericht. Daardoor ‘kijkt’ de radar nogal eens boven het nul-graden-niveau en daar valt regen meestal in de vorm van sneeuw. No problem.

Toch kan Holleman wel een verklaring bedenken voor het vreemde tijdverschil. Fronten zijn vaak gekanteld, zegt hij, ze hangen naar voren. De eerste sneeuw die de buienradar ziet valt heel hoog boven het aardoppervlak maar bereikt dat oppervlak niet. Ze is al halverwege de val verdampt. De sneeuw die ook de grond zal bereiken ziet een buienradar pas later (aannemende dat de bui op de radar afkomt.) Dat zal het wel geweest zijn.

Op 6 januari kwam een fenomeen ter sprake dat hier gemakshalve de Amstelillusie is genoemd. Aan de boorden van de Amstel, niet ver van de Berlagebrug, staat een kleine wolkenkrabber die de Rembrandttoren heet. In het weekend wordt hij feestelijk verlicht door lampen die langs de gevel omhoog schijnen. Daarbij ontstaat een lichte vlek op de laaghangende bewolking. Wie vanaf andere bruggen over de Amstel naar de toren en zijn vlek kijkt zou durven zweren dat de vlek niet precies boven de toren hangt. De vlek lijkt altijd dichterbij dan de toren.

Meer waarneming was er niet en veel meer duiding ook niet. Misschien, is hier geopperd, is het verschijnsel verwant aan de bekende maanillusie. De volle maan lijkt laag aan de horizon altijd groter dan hoog aan de hemel omdat objecten aan de horizon altijd verder weg lijken. Later ontstond twijfel aan de waarneming. Misschien dat de lui van de Rembrandttoren niet recht omhoog schijnen met hun lampen maar een beetje in het wilde weg?

Toen werd het donderdagavond 1 februari en stond het AW-team met de rug naar de École militaire op de Champ de Mars te kijken naar de Eiffeltoren. Ook die wordt 's avonds flink verlicht, maar nu zou het licht even uitgaan als signaal tegen energieverspilling en dergelijke. Antibroeikasactie. Het was acht uur. Tussen de struiken zong een zanglijster alsof de wereld verging en als vanzelf zwierf de blik naar het zwerk. En – verdoemd – daar was weer die lichte vlek, en weer leek hij dichterbij dan de toren zelf. En daar werd heus niet schuin geschenen.

Twee weken geleden ging het hier over Nutella, de Italiaanse hazelnoten-chocopasta, en over pindakaas en over het verschil daartussen. Nutella van hazelnoten en cacaobonen wordt bij lage temperatuur keihard, maar pasta van pinda’s niet. Waarom dat zo is viel niet zomaar te achterhalen. Dat hoeft ook niet, schrijft een mevrouw in Nijmegen, want in Italië wordt het nu eenmaal nooit koud. Italianen zijn wat warmer en zo blijft hun pasta smeerbaar.

Een levensmiddelentechnoloog uit Maarsen schrijft het waargenomen effect toe aan het verschil tussen hazelnootolie en arachideolie, dat is de olie uit pinda’s die vroeger olienoten heetten. Het zit hem vooral in de verzadigingsgraad van de olie. Hazelnootolie kan wel 80 procent oliezuur bevatten en dat stolt al beneden de 15 °C. Arachide-olie bevat veel minder oliezuur en juist veel linolzuur. Dat stolt pas beneden min zes graden.