Veroveraars keren na eeuwen terug

Toen in het begin van de jaren ’90 bijna alle Grieken te hoop liepen tegen het feit dat er een buurstaat ontstond met de ‘Griekse’ naam Macedonië, kwam de toenmalige premier Mitsotákis met de voorspelling dat ze de hele affaire over tien jaar zouden zijn vergeten. Dat leek tien jaar later aardig uit te komen, maar intussen heerst er toch weer grote boosheid over het initiatief, het vliegveld bij de hoofdstad Skopje te noemen naar Alexander de Grote. (Het vliegveld bij Kavalla in Noordoost-Griekenland heette al jaren zo.)

De bevolking van de ‘Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië’ (FYROM), zoals de buurstaat nog steeds in internationaal verband heet, ziet de Macedonische koning uit de vierde eeuw voor Christus als haar historisch idool, hoewel zij als Slaven pas in de zevende eeuw na Christus deze gebieden betrok. Terwijl voor de Grieken, ook weer enigszins aanvechtbaar, de grote veroveraar één der hunnen is. Skopje pleegt ‘historische diefstal’.

De campagne tegen Macedonië, waarmee de economische betrekkingen overigens zeer intensief zijn, is nu weer opgelaaid en hier en daar wordt openlijk gespeeld met de gedachte, te zijner tijd een veto uit te vaardigen tegen het NAVO- en EU-lidmaatschap van de FYROM zolang de naamkwestie niet is geregeld.

Een Griekse journalist, Tákis Míchas, overigens dezelfde die in een ver verleden Griekse woede opwekte door Alexander een „slachter” te noemen, heeft nu een interessante parallel gevonden: die tussen de Macedonische vorst en de Mongoolse keizer Dzjengis Khan.

Deze stichtte in de 13de eeuw – de 800ste verjaardag werd vorig jaar met grote luister gevierd – een Mongools wereldrijk dat zich tenslotte uitstrekte van Peking tot aan de Balkan, het grootste rijk dat ooit heeft bestaan. De tegenwoordige Mongolen wonen in de republiek Mongolië, drie miljoen inwoners, en in ‘Binnen Mongolië’, een provincie van China waarin ze een minderheid van vier miljoen zielen vormen.

In de republiek, die tot 1990 onder strikte Sovjetcontrole stond, mocht de naam Dzjengis Khan nauwelijks worden genoemd. Maar na de val van het communisme kwam het tot een cultus van de grote voorganger, die men terugvindt op wodkaflessen, luciferdoosjes en postzegels. Aan een enorm standbeeld in de hoofdstad Ulaanbaatar wordt gewerkt. En vorig jaar werd het vliegveld daar omgedoopt tot Dzjengis Khan.

Dit initiatief heeft de wrevel opgewekt van China, waar de verering van de veroveraar intussen ook vaste vormen heeft aangenomen. Hoewel China ooit zelf door de Mongool werd veroverd – zoals Griekenland door Alexander – wordt hij nu beschouwd als één der grote erflaters, „de eerste die vanuit China Europa veroverde”. De benaming van het vliegveld bij Ulaanbaatar wordt gezien als een stap in de richting van een ‘Groot-Mongolië’, zoals veel Grieken angst belijden voor een ‘Groot-Macedonië’ tot aan Thessaloniki en Kavalla, waarvan nog altijd landkaarten gewagen in FYROM.

In beide gevallen krijgen tirannen op wier naam bloedige daden stonden een herwaardering die hagiografische vormen aanneemt. Beide heersers worden nu voorgesteld als kunstminnende en idealistische vorsten die bijdroegen aan bevordering van handel, techniek en verspreiding van ideeën.

De parallel gaat natuurlijk niet helemaal op. In Mongolië wonen echte nazaten, terwijl Skopje toch moeilijk kan poneren dat het wordt bewoond door nazaten van de grote Alexander. Ook inzake de taalsituatie zijn er grote verschillen. Míchas’ ontdekking bestaat daaruit dat twee bloedige veroveraars na eeuwen worden „geclaimd” en daarmee historisch een nieuwe rol gaan spelen.