Pesten op de parlementsvloer

Op 1 januari is er een nieuwe Arbo-wet in werking getreden, die bepaalt dat pesten of intimidatie op de werkvloer niet mag en dat een werkgever verplicht is het tegen te gaan. Het is ironisch dat zulk een nobel en menslievend voorstel door de Tweede Kamer is aanvaard, want te oordelen naar een paar recente voorvallen gebeurt pesten daar net zo goed als overal elders. Wie is de werkgever die het daar moet tegengaan? Of geldt de wet niet voor de wetgever, en is het de bedoeling dat wij met zijn allen braaf met de armpjes over elkaar zitten terwijl pappie en mammie elkaar het leven zuur maken?

De Tweede Kamer is natuurlijk in de eerste plaats een vergadercircuit met een bijzondere taak. Maar ook is het een organisatie, waar mensen elkaar tegenkomen, particuliere en maatschappelijke belangen nastreven, soms samenwerken en soms elkaar bestrijden. Dat bestrijden kan op uiteenlopende manieren. Een manier is, ten overstaan van de hele vergadering en het publiek feiten, argumenten en overtuigingen te presenteren. In principe is het daarbij volgens de officiële spelregels verboden om op de man te spelen, maar wie daarmee kan wegkomen, doet het. Dat gaat dan in de trant van „u zegt dat u voor energiezuinig leven bent maar u rijdt zelf in een benzine slurpende tank dus wat u zegt, deugt niet.” Pesten gaat een heel grote stap verder. Pesten zegt „jij deugt niet dus jij mag niet zeggen wat je zegt. Je deugt zelfs zo erg niet dat we je niet eens zeggen dat je niet deugt. We laten het je wel merken.” Het concrete voorbeeld van de laatste tijd is PVV-fractieleider Wilders na zijn aankondiging dat hij een motie van wantrouwen zou indienen tegen de aantredende staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak.

Het Engelse woord voor pesten is mobbing, en dat geeft goed weer wat er aan de hand is. Mob komt van het Latijnse mobile vulgus, het roerige, oproerige volk. Dat mobiele, dat roerige, heeft te maken met begrippen als emotie, muiten en meute. Pesten is het werk van een meute. Een meute is iets verschrikkelijks om tegenover je te hebben. Van een meute kun je geen enkel lid als persoon als verantwoordelijk individu aanspreken, want wie zich in een meute heeft laten opnemen heeft zijn eigenheid ingeleverd. Hij keft en hij blaft, niet omdat hij dat zelf bedacht heeft maar omdat dat is wat een meute doet. Hij huilt met de wolven in het bos. En hij bijt, verscheurt en verslindt. Want ook dat is wat een meute doet.

Aan de andere kant van de meute staat, als eenling, de zondebok of het zwarte schaap. Die is anders en dus eigenaardig en vreemd. Hij is zwart en wij zijn wit dus hij deugt niet. Sterker: doordat hij zwart is, worden wij ons des te meer bewust van onze witheid, en wij zijn met zijn allen dus wat zijn wij blij dat we wit zijn.

De Frans-Amerikaanse literatuurwetenschapper en filosoof René Girard heeft bijna zijn hele werk gewijd aan het verschijnsel zondebok. Volgens hem is het voor een gemeenschap of voor een groep of organisatie heel verleidelijk een zondebok aan te wijzen. We maken de zondebok tot oorzaak van al ons ongemak, hij maakt ons saamhorig en blij dat we niet zijn zoals hij. De aanwezigheid van de zondebok brengt ons tot eensgezindheid en balt ons samen tot een meute, zegt Girard.

De climax van het zondebokdrama is de steniging. Een steenhoop is een meute projectielen. Geen enkele aanwijsbare steen heeft de zondebok gedood, niemand heeft het gedaan en toch is hij dood. Dan wijkt de bloeddorstige roes, wij zien het slachtoffer en de saamhorigheid die hij heeft teweeggebracht. Natuurlijk is het uitgesloten dat wij, met onze hervonden rede en verantwoordelijkheid, hem hebben gedood.

Dus moet de gedode een god zijn, een heilige die uit eigen beweging zijn leven gaf voor onze gemeenschap. Zo komt Girard tot de stelling dat de oorsprong van elke mythe een lynchpartij is. We kennen het, met de gekruisigde Christus, maar evengoed met de voormalige zwarte schapen Fortuyn en Van Gogh. Bij leven waren ze onuitstaanbaar; na hun dood volgde de heiligverklaring.

„Schande wat die Wilders doet, dat kan helemaal niet en hij ziet er nog vreemd uit ook. Die vent deugt niet!” De stenen liggen al klaar in de vorm van een nieuwe variant – negeer hem, collectief en met zijn allen. Doodzwijgen wordt zo een veelbetekenend woord. Maar ziet u, dames en heren in de Kamer, dat dit mobbing is? Dat hier in uw eigen midden aan de gang is wat u maatschappelijk verwerpt? En dat u een meutesfeer in uw midden toelaat die u bedwelmt en anderen doodt? Wilders laat het zich niet lijdzaam gebeuren, maar de dynamiek is er.

De zondebok werkt als een magneet op ongeordende ijzersnippers. Plotseling ontstaat orde waar wanorde heerste. Wij kunnen niet tegen wanorde en kiezen op termijn altijd voor orde, zelfs al is het de orde van de gruwel of de misdaad. In Amerika wordt de maffia niet voor niets aangeduid als the mob. Door de ander te pesten, worden wij zelf saamhorig. Daarom zal pesten eerder toeslaan bij organisaties en sectoren waar verwarring heerst, waar men het zicht is kwijtgeraakt op de vraag waar wij het ook alweer met zijn allen voor deden. De zorgsector heeft er bijvoorbeeld veel last van, blijkens een recent onderzoek van AbvaKabo FNV. Dat zegt dan zeker net zoveel over de staat waarin deze bedrijfstak verkeert als over het morele kaliber van de medewerkers. Pesten is als rook, het wijst op een groter probleem elders.

Daarom is de ondernemer, manager of overheid die pesten wil bestrijden, niet klaar door pestkoppen en meuteleiders aan te pakken. Hij moet onmiddellijk bij zichzelf te rade gaan hoe het zit met de bezieling en doelgerichtheid van zijn organisatie, en met zijn eigen leiderschap. Dat geldt voor aangeslagen bedrijven en sectoren, en het geldt voor een parlement met pestneigingen.