Miss Geraldine ontmaskerd

Zij was het gezicht van de armoede in de VS: Geraldine Blue Bird, een Sioux-indiaan. De vrouw die zei dat ze van haar uitkering 28 weeskinderen voedde, wacht een lange gevangenis-straf als cocaïnehandelaar.

Geraldine Blue Bird had hutspot en zelfgebakken brood voor de president klaargemaakt. Half ontklede kinderen keken Bill Clinton in de zomer van 1999 met grote ogen aan. Baby’s tijgerden over de vloer. Geraldine was blij, zei ze gedragen, dat hij naar de Lakota Oglala Sioux-stam in Pine Ridge, South-Dakota, was gekomen. Nu kreeg de schrijnende armoede in dit gebied eindelijk de nationale aandacht die ze verdiende.

Ze knakte toen Clinton, in zijn pose van lobbes, vroeg hoe ze het hoofd boven water hield. Hoe ze erin slaagde de 28 kinderen te eten te geven die ze dagelijks over de vloer had in haar éénkamerwoning, in het op twee na armste district van het land. Ze legde een hand op haar ogen. Camera’s klikten. „Ziet u de huisjes hier?”, had ze gezegd. „Ziet u dat ze geen ramen hebben? Daar moet je voor betalen. Wij kunnen dat niet betalen.”

De kranten schreven er onthutste stukken over. Deze verzameling hutjes, de zogenoemde Igloo-gemeenschap van Pine Ridge, waar de meeste mensen geen elektriciteit en water hadden, was „Amerika’s eigen derdewereldland”, schreef The New York Times. Een vermogende vriend van Clinton zocht enkele dagen later contact met Blue Bird. Hij schonk haar een trailer met vier kamers, het grootste huis van de buurt. Een senator uit South-Dakota riep haar uit tot ‘Angel in Adoption’: een voorbeeld voor adoptieouders in het hele land. En hulpverleners uit binnen- en buitenland snelden toe met geld, kleding en goederen.

Een enkele hulpverlener liep tijdens zijn goede werken Blue Birds buurvrouw tegen het lijf: Nellie Buckman, een oudere indiaan met een sceptische blik. Zij kende Blue Bird al dertig jaar en had samen met haar de hutspot voor Clinton bereid. „Weet u zeker dat u de juiste persoon helpt?” Ze liet het daarbij. Lakota Oglala hadden nu eenmaal de code dat ze tegenover de blanken geen kwaad over elkaar spreken. „Ik heb te lang gezwegen”, zegt ze nu.

Onlangs bepaalde de rechtbank in Rapid City, 200 kilometer noordelijk van Pine Ridge, dat Blue Bird (51) de leider was van een crimineel netwerk. Alleen al de laatste jaren smokkelde ze tientallen kilo’s cocaïne het reservaat binnen, volgens de rechter genoeg om 30.000 mensen van coke te voorzien. Ook handelde ze in wapens en marihuana. De kinderen die ze opving, dwong ze aan de drugshandel mee te doen.

De rechter toonde zich vorige week, op de laatste zittingsdag van het proces, „onthutst” over „de grote hoeveelheid mensen die slachtoffer van deze samenzwering is geworden”. In een zwart-wit gestreept gevangenentenue, met een stalen ketting om de enkels, hoorde Blue Bird het roerloos aan.

In het reservaat, The Rez in de taal van de bewoners, vertellen indianen dat ze allang wisten dat het niet goed zat met Blue Bird. Een van hen is Will Peters, een dikbuikige veertiger met oorbellen en tatoeages. Toen zijn oudste dochter, Kelly, als puber tegen hem en zijn vrouw rebelleerde, trok ze in bij Blue Bird. Na een paar weken besloot Peters haar op te halen. Gewapende kinderen stonden aan de deur.

De verhalen van zijn dochter bevestigden zijn stoutste vermoedens. Blue Bird zat niet alleen in de cocaïne, ze had haar hele handel gebouwd op haar weeskinderen. Blue Bird nam tieners mee als ze in Denver de cocaïne bij Mexicaanse baronnen inkocht. Op de heenweg moesten ze plastic zakken met dollars dragen. Op de terugweg brachten ze de drugs het reservaat binnen. Ter bescherming kregen de kinderen – tussen de 10 en 18 jaar – allemaal een wapen van haar. Om haar marktaandeel uit te breiden werden ze het reservaat ingestuurd om cocaïne tepushen. Voor de verkoop raadde ze aan om kinderwagens te gebruiken. Met baby’s erin. „De cocaïne werd onder het kussentje verstopt’’, zegt Peters.

Zo groeide in het reservaat een gangstercultuur. De kinderen van Blue Bird noemden zich de ‘IGC’ (Iggie Gangsta Community) of, naar het cijferalfabet, ‘973’. „Ik ken een ventje in Pine Ridge dat een tatoeage van ‘IGC’ op zijn vuist heeft”, zegt Peters. „Hij is zes.’’

Voor de rechtbank legde een jongen van 15 vorige week een getuigenis af over zijn werk voor Blue Bird. Met het oog op mogelijke represailles bepaalde de rechter dat media alleen zijn initialen mogen gebruiken: C.C. Schichtig vertelde hij dat hij op zijn tiende bij Blue Bird was beland. Zijn vader woont in Iowa. Zijn moeder is alcoholverslaafde. „Ik leefde op straat.”

‘Miss Geraldine’, zoals hij Blue Bird consequent noemde, gaf hem eten en kleren. Het leven bij haar was fijn en Colin, de zoon van Miss Geraldine, werd zijn homie, zijn boezemvriend. In het begin gaf Miss Geraldine hem een glas whisky voor elke honderd plakjes marihuana die hij afsneed. En ze nam hem als geldloper mee naar Denver.

Een tijdje later zei ze: „Wil je vijftig dollar verdienen?” Hij kreeg acht zakjes cocaïne. Als hij er zeven verkocht, was het laatste voor hem. Drie, vier keer per week nam hij samen met Colin cocaïne. Meestal rookten ze het. Hij was toen twaalf.

Als Miss Geraldine en de oudere kinderen cocaïne verkochten, mochten gebruikers ook met voedselbonnen. Alles in huis bij Miss Geraldine werd gewelddadiger. Kinderen speelden met wapens aan tafel. Op een dag moest hij een 3-jarige een pistool uit de handen rukken. ,,Hij richtte op de nek van een baby.’’

Als aspirant-lid van de IGC werd van hem verwacht dat hij zich bij schietpartijen extra liet gelden. De rechter vroeg C.C. naar zijn rol bij de dood van een 16-jarige jongen die in december 2005 in het huis van Blue Bird in het gezicht werd geschoten. „Heb jij hem doodgeschoten?”

„Yeah.”

In haar keuken met uitzicht op BlueBirds huis vertelt buurvrouw Nellie Buckman een dag later dat het de laatste jaren ondraaglijk werd om naast Geraldine te wonen. Het dieptepunt was toen ze moest toezien hoe vijf volwassenen een baby misbruikten. „Het kán zo niet doorgaan, Geraldine!”, riep ze ten einde raad tegen haar buurvrouw. Daarna zetten de buurjongens vrijwel elke nacht een zaklamp op haar honden, die steevast aansloegen en de buurt wakker blaften. Of ze schoten op de beesten. Met hetzelfde effect. Of ze kwamen ’s nachts langs, ramden op haar deur, en riepen dat haar huis in brand zou gaan.

„Mijn dochter zei: ‘Neem dan foto’s.’ Maar ik durfde niet.” Ze prijst de dag dat Blue Bird en vijftien handlangers – voornamelijk minderjarigen – ruim een jaar geleden werden gearresteerd.

Toch is er in Pine Ridge ook begrip voor Blue Bird. Zij mocht dan een manipulator zijn, zó bijzonder is dat ook weer niet in het reservaat. „We zijn er allemaal vrij goed in”, zegt Will Peters.

Indianen noemen het onderling ‘scheming’, manipuleren met financieel gewin. Ze doen het vooral om blanken geld uit de zak te kloppen. „Zo verkopen wij ook onze kunst”, zegt Peters. „We doen alsof het verheven is, alsof het voortkomt uit de geheime krachten van onze spiritualiteit. Maar meestal is dat flauwekul.”

Het ligt gevoelig in het reservaat. Volgens de klassieke Lakota-leer mogen deSacred Ways van de stam nooit of te nimmer voor gewin gebruikt worden. Maar Peters zegt dat de armoede zo groot is dat jonge indianen er lak aan hebben. Tachtig procent van de bevolking van het reservaat is werkloos. Tachtig procent van alle bewoners alcoholist. Tachtig procent van de kinderen heeft één ouder of geen ouders. En 97,5 procent van alle bewoners leeft onder de armoedegrens. „Scheming is vaak de enige inkomstenbron.’’

Geraldine was er van oudsher net iets handiger in dan de anderen. Ze had twee kinderen uit haar huwelijk met een gewichtheffer, maar al in de jaren tachtig begon ze weeskinderen en bastaards bij haar thuis op te vangen. In eerste instantie met goede bedoelingen, denkt Peters. Maar gaandeweg maakte ze handel van de kinderen. „Ze zette ze in een rolstoel en zei: ‘gehandicapt’. Kreeg ze een hogere uitkering.’’

En zoals zoveel indianen was ze alle dagen dronken. Officieel is alcohol verboden op The Rez (mensen kopen het vlak buiten het reservaat in Whiteclay, Nebraska) maar al in de jaren tachtig fabriceerde ze volgens Peters clandestien bier en wijn. Haar gespierde echtgenoot dronk er zich letterlijk dood aan. Hij liet Blue Bird vijf huizen aan de andere kant van het dorp na, zegt Buckman. „Arm is Geraldine nooit geweest.’’

Haar eigen twee kinderen hadden FAS, Fetal Alcohol Syndrome, een beschadiging van het zenuwstelsel door alcoholmisbruik tijdens de zwangerschap. FAS-kinderen hebben een relatief klein hoofd, geen bovenlip en zwakke geestelijke vermogens: je ziet ze overal in het reservaat.

Beide kinderen zouden uiteindelijk met hun moeder in de drugshandel belanden. Als geroutineerde criminelen weigerden ze na hun arrestatie met de FBI te praten. Maar toen Blue Bird in haar verhoren in het nauw werd gebracht door overstelpend bewijs, wees ze haar zoon aan als bendeleider. „Typisch Geraldine’’, zegt haar ex-buurvrouw Nellie Buckman.

De grote omslag in het leven van Geraldine Blue Bird kwam begin jaren negentig: ze ontdekte armoede als inkomstenbron. Traditioneel was het voor de Lakota ongepast om ruchtbaarheid te geven aan onderlinge hulp voor armen, legt Peters uit. Volgens de ongeschreven regels delen alle stamleden hun bezittingen automatisch met anderen.

Blue Bird lapte die ongeschreven regel aan haar laars. Ze vertelde de fabel van de 28 kinderen en de ene uitkering aan mensen uit Seattle die in het reservaat kwamen werken. Ze schoten haar te hulp. Ze spoorden haar aan ook buiten het reservaat naar steun te zoeken. Uit de hele wereld – Ierland, Duitsland, Japan, Finland – liet ze verslaggevers toe om de armoede in haar leven te beschrijven.

In de VS zelf kwamen vooral kerken in actie. Geraldine was trots dat ze erin slaagde geestelijken om de tuin te leiden, zegt Buckman. „Ze schold hen uit zodra ze hun rug hadden gekeerd: ‘Ik ben blij dat ze opgerot zijn’. Ze was nogal ruw in de mond.”

Het hele idee van armoede in het reservaat is een blank misverstand, zegt Buckman. „Jullie denken dat wij arm zijn. Maar wij vóelen ons helemaal niet arm.” De enige periode in haar leven dat ze zich arm voelde, legt ze uit, was toen ze in de jaren zestig werd gedwongen in Californië te wonen: „Iedereen bleef maar Spaans tegen me praten, ik begreep er niets van.” Wie het in het reservaat moeilijk heeft, kan altijd bij andere indianen terecht, zegt ze. En anders zijn er de bijstand of voedselbonnen. „Mensen die hier honger lijden zijn onwetend of lui.’’

Dat Geraldine er destijds in slaagde zelfs medewerkers van het Witte Huis voor de gek te houden, zodat Clinton haar bezocht, werd in het reservaat met een mengeling van gêne en trots ontvangen. Het hele reservaat wist dat Geraldine de zaak beduvelde, zegt Will Peters. „Maar we vonden het wél razend knap.”

Haar val wordt in Pine Ridge vooral gezien als bewijs dat de kinderen van het reservaat in nood zijn. De strafzaak heeft zoveel misbruik blootgelegd dat negeren moeilijk is geworden. Door de armoede, de gebroken gezinnen en de massale alcoholverslaving hebben „kinderen geen kans meer om nog kind zijn”, zegt Buckman. „We móeten iets doen.”

Een drijvende kracht is Melanie McBee (27), een nicht van Geraldine Blue Bird. Ze werd in Pine Ridge geboren als kind van een 13-jarige moeder en direct daarna geadopteerd door een blanke familie in Wisconsin, samen met haar biologische moeder en oudere broer. De moeder vluchtte meteen en zwerft al jaren als alcoholist door Pine Ridge.

Het grootste onrecht werd haar broer aangedaan, zegt ze. Op 7-jarige leeftijd, toen de adoptieprocedure bijna was afgerond, werd hij opgeëist door de Lakota Oglala. De stam doet dat geregeld om zo de verwatering van de Lakota-cultuur tegen te gaan.

McBee praat er met walging over. Want omdat haar moeder niet voor haar broer kon zorgen, leefde hij uiteindelijk voornamelijk op straat. Vorig jaar haalde ze hem, 28 inmiddels, uit het reservaat nadat hij met zelfmoord dreigde. Maar voor de gewone maatschappij is hij een onhandelbaar figuur. Hij is alweer terug in Pine Ridge. „Ik weet dat ik binnenkort het fatale telefoontje krijg.”

Zelf woonde ze vanaf haar zestiende enkele jaren in het reservaat, ze zocht contact met haar familie. Een confronterende ervaring. Haar moeder en tantes lieten haar ’s ochtends achter met zusjes van 2, 4 en 6 en neefjes van 1 en 3 jaar. Schone luiers waren er niet. Kleren en voedsel nauwelijks. Ze zag hoe de baby’s speelden tussen de bierdoppen, glasscherven, peuken en kakkerlakken. Om elf uur ’s ochtends kwam haar moeder met een zus en een tante terug. Een fles whisky bij de hand, benen op tafel, televisie aan. „Ze wisten niet beter.”

Later, zegt ze, werd ze door een oom verkracht. Ze haalde verhaal bij de politie en het bestuur van het reservaat, maar dat gaf niet thuis. Ze kreeg het verwijt dat ze door haar jaren buiten het reservaat het gevoel voor de indianencultuur had verloren. Ze was een ‘appel’ geworden: rood van buiten, wit van binnen.

Uit een beklemmend artikel over haar ervaringen, dat ze dit jaar publiceerde in kranten en op websites die door indianen worden gelezen, blijkt dat McBee niet meer gelooft in de reservaten: ze zouden opgedoekt moeten worden om een einde te maken aan het ellendige bestaan van de kinderen. Ze kreeg honderden reacties uit de reservaten, zegt ze, voornamelijk instemmende. De zaak-Blue Bird heeft het inzicht verspreid dat alleen dramatische stappen nog kunnen helpen. „Mensen realiseren zich weer dat er duizenden levens op het spel staan.’’

Komende dinsdag hoort Geraldine Blue Bird welke straf haar wacht. Ze krijgt minimaal 25 jaar, zegt haar advocaat, Terry L. Pechota. „Deze vrouw komt nooit meer vrij.’’

Niet dat het veel uitmaakt. Na Blue Bird zullen nieuwe cocaïnehandelaren opstaan die de kinderen van het reservaat proberen te misbruiken. „Dat is de miezerigheid van ons leven”, zegt Will Peters. „Dat soort mensen heeft altijd toekomst in Pine Ridge.”