Kwaliteit van leraar bepaalt kwaliteit van het onderwijs

Prof. Ruut Veenhoven concludeert dat het nieuwe leren kinderen in ons land gelukkiger maakt. Hij baseert deze veronderstelling op een vragenlijstje van de Unicef, waarbij kinderen een kruisje moesten zetten ”bij het getal dat het beste overeenkomt met je gevoel over het leven in het algemeen”. Op grond van de antwoorden op dit vraagje trekt de auteur zijn verstrekkende conclusie.

Zelfs een eerstejaarsstudent weet dat dit soort conclusies ongeoorloofd is, omdat een mogelijke samenhang nog geen causale is. U weet het toch nog van die ooievaars? Kinderen komen echt niet van de ooievaar, omdat er een samenhang bestaat tussen het toegenomen aantal ooievaars in de lente en het aantal pasgeboren kinderen. Dat geluk een relatief begrip is, en moeilijk te definiëren, laat staan te meten, is duidelijk. Meten is wel weten, maar dan moet je het wel goed doen. Dit soort denkfouten en niet onderbouwde opvattingen, maakt mij wantrouwig over de waarde van het zogenoemde nieuwe leren. Het nieuwe leren is niet nieuw. Zelfstandig leren moet je leren en daarvoor is kennis nodig. De Duitse pedagoog Wilhelm von Humboldt schreef al in 1807: ”The pupil is mature when he has learned enough from others, to be in a position to learn for himself.” Wijze woorden uit het verleden, maar dat vinden we niet meer nodig. Het nieuwe leren verdient een betere verdediger. Het levensgeluk van onze toekomstige generatie hangt af van goed onderwijs. De kwaliteit van onderwijs hangt niet zozeer af van de gebruikte methode, waarin we in een bepaalde tijd geloven, maar van de kwaliteit van de leraar. Deze dient over de noodzakelijke kennis en vaardigheden en vooral over enthousiasme voor haar/zijn vak te beschikken. Ruut van Veenhoven levert geen bijdrage aan de discussie over zin en onzin van dit leren.