'In ander mans boecken is het quadt studeren'

In The National Archives in Londen liggen duizenden Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw. Ze zijn geschreven uit Nederland naar verre gewesten en terug, en werden ooit buitgemaakt door Engelse kapers.

Roelof van Gelder deed in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek onderzoek naar deze vergeten post en selecteert elke maand een brief voor M.

Sint Christoffel, 9 december 1664

Zeer toegenegen nicht Elsje Schonhoven,

Het is mij lief om van Uw aller gezondheid te vernemen. De reden van deze brief is dat ik instem met uw verzoek voor mijn moeder te willen zorgen. Wat mij betreft zal tot in alle tijden weer vergoed worden, datgene dat gij voor mijn moeder en zuster doet. En ook mijn vader waardeert hetgene dat gij voor haar en mijn zuster doet.

Verder laat ik u weten dat mijn vader de 22ste november hier te Sint Christoffel is gearriveerd.

En hij heeft enige soldaten meegebracht die hij naar Curaçao moet brengen. Daarom heeft hij niet aan u noch aan mijn moeder kunnen schrijven. Maar hij doet u en mijn nichtje evenwel groeten.

Verder, gij schrijft mij dat mijn moeder zo in armoede leeft, dat als gij het niet deed, dat zij haast van honger en dorst zou omkomen.

Denk maar vrij dat mijn vader en ik ook niet genoeg de kost krijgen. Dan is het hier wat verlies, dan is het daar wat verlies. En altijd is het verlies. Stel je ook eens voor hoe het hier toegaat!

En de mensen zeggen dat hij hier een plantage heeft. Dat is waar, maar daar staat niets op dan wilde bomen. Maar te zijner tijd zal daar niets van af komen. Hoe toch kunnen de mensen hun hoofd breken over andermans zaken! Het is een wonder dat de mensen niet meer zeggen kunnen als zij gaan. Ik heb wel horen zeggen dat het in andermans boeken slecht studeren is.

Verder zou het beter zijn dat alle mensen zich bemoeien met hun eigen zaken. Maar ik weet niet waarom de mensen zo liegen, dat ze zeggen dat hij [vader] daar [op Sint Christoffel] vrijburger is. En dat is niet waar!

Verder, groet mijn moeder, zuster Antje Jans, en Pieternella Jante en alle goede vrienden.

Van mijnentwege niets verder meer, dan dat gij in Gods genade zijt aanbevolen.

Verder verblijf ik, uw dienstwillige neef

Jan Poppen de Jonge

Uit een andere brief van Jan Poppen, geschreven op dezelfde dag aan zijn moeder:

[Men schrijft mij dat gij (moeder)] zo armoedig leeft dat de mensen er schande van spreken.

Ik heb daarover met mijn vader gesproken en hij zei dat hij jou goederen gestuurd heeft, maar desalniettemin heeft hij mij last gegeven om wat suiker aan u te sturen. Maar door de omstandigheid dat de schipper van het schip het niet wou innemen heb ik het hier moeten houden. Maar met het eerste schip dat vertrekt [zal ik het meegeven].

Ik zal altijd mijn best doen, al wat ik kan, want ik weet dat ik het schuldig ben.

En ik weet dat gij voor mij hebt gedaan wat een goede moeder voor een kind behoort te doen.

Hertaling: Roelof van Gelder