Hoogbejaarden

1384

In het Amsterdamse café Hans en Grietje heeft deze week een 72-jarige stamgast een overvaller buiten gevecht gesteld door hem het vuurwapen uit zijn handen te slaan. De volgende dag stond het bericht op de voorpagina van De Telegraaf en Het Parool, en terecht. Het deed me denken aan Bep van Klaveren, destijds beroemd bokser. Hij heeft drie Europese kampioenschappen gewonnen, ging in Amerika boksen en kreeg daar de bijnaam The Dutch Windmill. Toen hij genoeg geld had verdiend, ging hij terug naar Rotterdam en werd supporter van de voetbalclub Excelsior. Iedere zondag met een paar vrienden naar het voetballen. Ze waren ongeveer in het midden van de zeventig.

Zo liepen ze weer eens naar Woudestein, zo heet het stadion van Excelsior, toen ze door een troepje jongens van een jaar of achttien tot twintig hinderlijk werden gevolgd. Een van de belhamels begon ‘ouwelullen’ te roepen, de anderen werden ook moediger. Bep draaide zich om en zei vriendelijk: ‘Dat moeten jullie niet doen jongens’. Olie op het vuur. De moedigste ging vlak achter Bep lopen en probeerde hem op zijn hielen te trappen. De Windmill reageerde zoals hij dat in de boksring had gedaan. In de volgende seconden lagen er drie op het plaveisel terwijl de rest al praktisch verdwenen was. Van de politie kreeg Bep een vermaning.

Toen werd de beruchte moordenaar Hans van Zon gearresteerd. Voor het gerecht verdedigde hij zich met een verwijzing naar wat de verdediger zijn ‘kwade genius’ noemde. Dat was iemand die in de rechtbankverslagen Ouwe Nol werd genoemd, berucht man in de Utrechtse onderwereld en even in de tachtig. Ook Ouwe Nol moest voor de rechtbank verschijnen. Daar ging hij zo tekeer dat hij de de hele rechtbank tot zwijgen bracht. Niet voor lang, maar toch.

Waarom vertel ik dit? Omdat er vooral in Nederland al zeker een jaar of twintig een stroming is die mensen na een zekere leeftijd als niet meer volkomen goed snik en rijp voor de sloop beschouwt.

Als de aanhangers van deze zienswijze zich op hun manier beschaafder willen uitdrukken, zeggen ze dat ‘de uiterste houdbaarheidsdatum verstreken is’. Dan hoef je niet meteen zelfmoord te plegen of aan de rollator te gaan, maar je bent wel rijp om als een halvegare te worden beschouwd. Laten we zeggen dat het een trend is, precies vijftig jaar geleden ingezet door dr. Willem Drees sr. In 1957 werd door zijn toedoen de Algemene Ouderdoms Wet aangenomen, wat betekende dat voortaan iedereen die 65 of ouder was, AOW kreeg, ‘van Drees trok’. Aoweër werd het nieuwe zelfstandig naamwoord. Zo iemand ging van zijn gouden jaren genieten of achter de geraniums zitten of allebei. Verplicht. Later werd er nog een weldaad aan de oudjes bewezen. Als ze 62 of 63 waren, moesten ze ‘in de vut’. Afkorting van Vervroegde Uit Treding. Ik gun het de genieters graag. Maar of je van je werk hield of niet, het was verplicht.

De waardering van ‘oudere mensen’ en het spraakgebruik volgde de wetgeving. Het woord plussers werd gebruikelijk. Een veertigplusser was al een verdacht mens, die kon de nieuwe tijd niet meer bijsloffen. Een vijftigplusser kon je afschrijven en zestigplussers moesten gevoerd worden, deden het in hun broek en zaten in de tehuizen, op kosten van de jonge generaties. Alleen rijke AOW’ers, zindelijk of niet, moesten hun eigen AOW betalen.

En nog een taalkundig vraagstuk. Op welke leeftijd is een mens ‘bejaard’ geworden? Ergens in de zomer van het vorige jaar las ik in een krant, niet deze, dat een ‘bejaarde vrouw’ tegen het zebrapad was gereden. ‘Het slachtoffer (55) is buiten levensgevaar.’ Na je zestigste ben je definitief bejaard en na je zeventigste: hoogbejaard. Met een zekere wellust wordt het de dames en heren toegevoegd. Als je hoogbejaard bent, kun je het schudden. In het Amsterdamse café Hans en Grietje sloeg een hoogbejaarde stamgast een overvaller het wapen uit de hand. Toen bleek ook nog dat het een speelgoedpistool was. Dat was helemaal tragisch voor deze Al Capone. Totale ontmaskering.

Met dit alles wil ik niet zeggen dat de jaren ongemerkt voorbijgaan en dat de jeugd zijn eigen onherhaalbaar geluk heeft. Toen de filosoof en dichter Johan Andreas Dèr Mouw zichzelf definitief oud voelde, schreef hij:

Om één dag jong te zijn gaf ’k ziel en God/ Ik, die geluksdorst met extasen les,/ Ja! Ja! Nog één keer in de Nes,/ Met dronken prolen slaan de boel kapot,/ En dan het doen, een keer of zes.

De Nes was toen wat nu de Walletjes zijn.

Maar denk even aan Methusalem of Metuselach. ‘Toen Metuselach honderdzevenentachtig jaar geleefd had, verwekte hij Lamech. En Metuselach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderdtweeëntachtig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Metuselach negenhonderdnegenenzestig jaar; en hij stierf.’ Zo staat het in de Bijbel, Genesis 5: 25 tot en met 27.

Never a dull moment.