Hagedis knikt sneller en heftiger als het waait

Wie communiceert met geluid, zoals veel vogels en mensen, moet harder of anders gaan roepen als het omgevingslawaai toeneemt. Wie communiceert met beweging, zoals sommige hagedissen doen, zou zich moeten aanpassen als de omgeving gaat meebewegen. Hagedissen blijken dat ook te doen.

Visuele ruis ontstaat als de wind takken of bladeren in snelle en warrige beweging brengt. Dat is een probleem waarmee twee soorten hagedissen in Puerto Rico regelmatig te maken hebben – Anolis cristatellus en Anolis gundlachi, leden van de leguanenfamilie.

Anolissen communiceren met geaccentueerde verticale bewegingen van kop en hals. Dat kopknikken wordt visueel versterkt door een felgekleurde opblaasbare keelzak. Zo etaleren mannetjes hun territoriumclaims ten opzichte van naburige mannetjes en tegenover de meerdere vrouwtjes met wie ze hun territorium delen. De mannetjes zoeken voor hun vertoon een opvallende plek op, zoals het uiteinde van een overhangende boomtak.

Een groep gedragsbiologen van de universiteit van Californië stortte zich met hi-tech videocamera’s op de details van die opzichtige activiteit (Proceedings of The Royal Society B, online in februari). De zichtbaarheid van de kopknikkers kan sterk variëren met omgevingsverandering . Als slechts een variant namen de onderzoekers bladbeweging door wisselende wind op de opnamen, waarop ze ook het vertoon analyseerden. Van zestien volwassen cristatellus- en achttien gundlachi mannen maten ze zo gemiddeld vier langdurige kopknik sessies.

De variatie was groot. Mannetjes met een onrustige visuele omgeving gaven duidelijk en aanzienlijk sneller hun visuele signalen af dan die in kalmere condities. De laatsten hielden in de luwte consequent een meer ontspannen, lage snelheid aan. Aanvankelijk vergaten de onderzoekers dat de wind ook van invloed is op de warmtehuishouding van de koudbloedige hagedissen. Later is daarvoor gecorrigeerd en er bleek wel degelijk sprake van aanpassing van de communicatie aan bladonrust.

Het onderzoek was er niet speciaal op gericht te bepalen of die flexibiliteit van de soorten ook individueel geldt. Het zou immers kunnen dat het vertoon dat de dieren ontwikkelen op vaste individuele waarden uitkomt door genetische en omgevingsfactoren tijden het opgroeien op een min of meer ‘lawaaiige’ plek. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat de dieren zich hoogst persoonlijk aanpassen aan de omgeving.

Geritualiseerd vertoon wordt dus zelfs bij hagedissen minder star en ‘mechanisch’ uigevoerd dan de klassieke ethologen vroeger wel dachten. Kortom: hier is een nieuw gedragsprincipe beschreven..

Frans van der Helm