Grijp kans om oorlog in Irak te beëindigen aan de onderhandelingstafel

Deze week besloten de VS deel te nemen aan twee internationale conferenties in Bagdad over stabilisering van Irak. Dat is een stap in de richting die Henry Kissinger had bepleit: een nog veel breder opgezette internationale conferentie om een einde te maken aan het geweld in Irak.

Henry A. Kissinger

Oud-minister van Buitenlandse Zaken (1973-1977) van de Verenigde Staten. Hij schreef onder andere ‘Diplomacy’, ‘Does America Need a Foreign Policy? Towards a Diplomacy for the 21st Century’ en ‘Crisis. The Anatomy of Two Major Foreign Policy Crises’.

Amerika wordt, daar zijn we dagelijks getuige van, in brede kring veroordeeld om de manier waarop het de oorlog in Irak aanpakt. Het zou derhalve logisch zijn indien de criticasters van het Amerikaanse optreden de handen ineenslaan en zich buigen over de vraag hoe de politieke afloop van de oorlog in Irak geregeld moet worden.

Een fase van diplomatiek overleg is hoe dan ook noodzakelijk. Irak zal op de een of andere manier weer moeten worden opgenomen in de internationale gemeenschap.

Een oproep voor een internationale conferentie zou een belangrijke stap zijn. Echter, niet één land heeft zich tot dusverre bereid getoond mee te werken aan een onderzoek naar de politieke gevolgen van diverse manieren waarop deze oorlog zou kunnen aflopen. Toch zal niemand zich aan die gevolgen kunnen onttrekken. Als Amerika er niet in slaagt zijn doelstellingen te realiseren – als zich, integendeel, op het grondgebied van Irak, met zijn reusachtige oliereserves, terroristische kampen of terroristische regimes vestigen – zal geen land met een islamitische bevolking van enige betekenis voor de gevolgen bewaard blijven. Noch India (met de op één na grootste moslimbevolking ter wereld), noch Indonesië (met de grootste), noch Turkije (dat al kampt met invallen vanuit het Koerdische deel van Irak), noch Maleisië, Pakistan en alle West-Europese landen, noch Rusland (met zijn islamitische zuiden), en uiteindelijk ook China niet.

Als de oorlog in Irak – indirect – leidt tot een nucleair Iran en een islamitisch fundamentalisme dat zich erop kan beroemen Rusland uit Afghanistan te hebben verdreven en Amerika uit Irak, kunnen we een buitengewoon roerige periode verwachten, op de rand van chaos, die niet beperkt zal blijven tot het Midden-Oosten. Een bedreiging van de mondiale olievoorziening zal een verpletterende uitwerking hebben op de wereldeconomie, vooral op de economieën van de geïndustrialiseerde landen. Geen van de potentiële slachtoffers van die ontwikkelingen is om suggesties gevraagd, laat staan gevraagd te helpen zoeken naar een politieke oplossing voor de oorlog in Irak.

In plaats daarvan gaat de discussie vooral over de vraag of er überhaupt een beroep moet worden gedaan op de diplomatie. De Amerikaanse regering heeft laten doorschemeren dat zij nog niet bereid is om over Irak te onderhandelen – en al helemaal niet met Iran en Syrië, die ervan worden beschuldigd het conflict op te stoken en het geweld op te voeren.

Critici van de regering roepen dat onmiddellijk diplomatieke actie moet worden ondernomen, zonder daarbij duidelijk te maken wat zij daaronder verstaan. Velen van hen geven blijk van de in Amerika breed gedragen nostalgie naar een vlekkeloze militaire strategie die uitmondt in een totale overwinning, gevolgd door een vlekkeloze diplomatie die te werk gaat aan de hand van haar eigen, interne regels. De mensen die het dictum van de Pruisische generaal en militair-theoreticus Von Clausewitz’ over de relatie tussen macht en diplomatie afwijzen, zien het diplomatieke proces als iets aparts, dat door een autonome logica wordt geregeerd. Naar die opvatting moet de diplomatie het hebben van vertoon van goede wil en dient zij te worden bezield door de voortdurende bereidheid om impasses te doorbreken met nieuwe voorstellen. Militaire operaties moeten worden beperkt of stopgezet – dat is de prijs voor het betreden van het stadium van de diplomatie. Escalatie, al is het maar voor even, is uit den boze. Als gevolg van die houding heeft Amerika bij het begin van de onderhandelingen om een einde te maken aan de oorlog in Korea en die in Vietnam een staakt-het-vuren geaccepteerd in Korea en een bombardementsstop in Vietnam. Een langdurige impasse was het gevolg.

Sedert in 2002 de controverse losbarstte over de vraag of geweld moest worden gebruikt tegen Irak, heb ik het besluit om Saddam ten val te brengen gesteund. Maar ik heb ook betoogd dat een oplossing in het hart van de Arabische wereld nooit uitsluitend met militaire kracht zou kunnen worden opgelegd. De diplomatie zou altijd moeten worden beschouwd als een integraal deel van de strategie ten aanzien van Irak.

In het huidige debat over de vraag hoe de oorlog in Irak te beëindigen wordt een welhaast mythische waarde toegekend aan de wenselijkheid van bilateraal overleg met Syrië en Iran als sleutel tot een regeling in Irak. Alleen bereidheid tot onderhandelen zal echter niet toereikend zijn zolang de uitgangspunten en doelstellingen van beide partijen niet in de buurt van een acceptabel compromis kunnen worden gebracht. Dat wordt een formidabele opgave.

De diplomaat moet beseffen wat het minimum is waaronder een overeenkomst de nationale veiligheid in gevaar brengt, en wat het maximum is waarboven redelijkerwijs niet te verwachten valt dat de andere partij bereid is te gaan –-met andere woorden: het minimum van de tegenpartij. Buiten die grenzen dreigt ofwel een patstelling ofwel ondermijning van de veiligheid van Amerika.

Syrië en Iran zijn zwakke landen die tijdelijk in een sterke positie verkeren. De VS blijven een grote mogendheid, ook al hebben zij zich in een buitengewoon ingewikkelde en mogelijk nadelige positie gemanoeuvreerd. Dat doet echter niets af aan de machtsverhoudingen op de lange termijn. Alle partijen hebben wijze leiders nodig om een internationale orde tot stand te brengen die alle betrokkenen veiligheid biedt en alle religies eerbiedigt.

Slechts een deel van de doelstellingen van de Verenigde Staten, Syrië en Iran kan worden gerealiseerd via bilateraal overleg. Syrië kan in Irak noch in positieve noch in negatieve zin veel uitrichten. Als voornaamste doelstellingen wil Syrië zijn dominante rol in Libanon herstellen en de Golanhoogte van Israël terughebben. De Verenigde Staten, die nog maar kort geleden de hoofdrol hebben gespeeld in de verdrijving van de Syrische troepen uit Libanon, kunnen Syrië niet aan een dominante positie in Libanon helpen. Syrië mag dan niet gelukkig zijn met de toenemende invloed van de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon, voor Amerikaanse overheersing voelt het nog minder; het levert zelfs wapens aan Hezbollah juist om de Amerikaanse invloed in Beiroet te ondergraven. De Verenigde Staten kunnen Syrië er goedschiks noch kwaadschiks toe brengen een einde te maken aan zijn nauwe banden met Iran, die al twintig jaar een centrale factor zijn in het Syrische beleid.

Teruggave van de Golanhoogte aan Syrië zou wél kunnen worden vergemakkelijkt door een Syrisch-Amerikaanse dialoog, aangezien de partijen al ten tijde van president Clinton dicht bij een akkoord waren. Daartoe zou evenwel overleg tussen Israël en Syrië vereist zijn, wellicht onder de aegis van Amerika, met als doel een afzonderlijke vredesovereenkomst tussen Israël en Syrië.

Soortgelijke beperkingen gelden voor bilaterale onderhandelingen met Iran over Irak. Het probleem van Irans nucleaire ambities kan uitsluitend worden opgelost binnen het al bestaande multilaterale kader of in een ander verband waarbij de andere kernmogendheden betrokken worden. Plannen voor zuiver bilaterale besprekingen over Irak met uitsluiting van de sunnieten zullen in de sunnitische wereld worden opgevat als een Amerikaans-Iraans condominium of een teken dat de Amerikanen hen in de steek zullen laten. Dat zou ertoe kunnen leiden dat zij zich ijlings neerleggen bij de Iraanse hegemonie.

Het nut van bilateraal overleg tussen de VS en Iran is in de eerste plaats gelegen in het herstel van de betrekkingen die bijna dertig jaar lang verbroken zijn geweest. Voorts moeten uitgangspunten worden vastgesteld om te komen tot een normalisering van de toestand. De Iraanse leiders moet aan het verstand worden gebracht dat Amerika, zelfs wanneer het intern verdeeld lijkt, geen genoegen zal nemen met een vijandige heerschappij over een regio die van zo grote betekenis is voor het welzijn van de geïndustrialiseerde wereld. Een grote mogendheid tergen is gevaarlijk, en er zijn constructieve alternatieven als Iran meer nationale dan jihadistische of imperialistische doeleinden nastreeft. Dat Iran op diplomatiek gebied de laatste tijd een andere toon aanslaat, kan niet los gezien geworden van Amerika’s vertoon van vastberadenheid en macht. Dat neemt niet weg dat Amerika in zijn tactiek rekening moet houden met de complexen van zwakkere landen met een koloniaal verleden.

De beste aanzet tot serieuze diplomatie over Irak zou de al genoemde internationale conferentie zijn. Iraks buurlanden liggen te zeer met elkaar overhoop om zelf het psychologische of veiligheidstechnische evenwicht tot stand te kunnen brengen dat nodig is voor een regionale conferentie. Het politieke kader moet worden vastgesteld door landen die belang hebben bij de uitkomst: de permanente leden van de Veiligheidsraad, de buurlanden van Irak, belangrijke islamitische landen als India, Pakistan, Indonesië en Maleisië, en grote olieverbruikers als Duitsland en Japan. Die landen hebben weliswaar tal van strijdige belangen, maar hun gezamenlijke belang zou moeten zijn te voorkomen dat fanatieke jihadisten de wereld naar een steeds verder om zich heen grijpend conflict drijven. De internationale conferentie zou bovendien een geschikte gelegenheid zijn om niet alleen stil te staan bij de oorlogvoerende facties in Irak, maar ook verder te kijken – naar een stabiele energietoevoer. Ze zou het beste kader kunnen bieden voor een afronding van de Amerikaanse militaire bezetting. Paradoxaal genoeg zou ze ook weleens het beste kader kunnen zijn voor bilaterale gesprekken met Syrië en Iran.

Het Amerikaanse militaire beleid in Irak moet op zo’n diplomatieke strategie worden afgestemd. Amerika kan het zich niet veroorloven zijn optreden uitsluitend te laten bepalen door wat uit binnenlandspolitiek oogpunt relevant is. Een unilaterale terugtrekking volgens een vast tijdschema, zonder rekening te houden met de omstandigheden ter plaatse, is onverenigbaar met de hier beschreven diplomatie.

De bereidheid van andere landen om aan zo’n onderneming deel te nemen hangt in belangrijke mate af van hun taxatie van het machtsevenwicht in het Midden-Oosten na afloop van de oorlog in Irak. Succesvol diplomatiek optreden vereist dat de macht van Amerika relevant blijft, en beschikbaar ter ondersteuning van een coherent regionaal beleid.

Na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), toen Europa uitgeput terneer lag, hebben de landen van dat werelddeel een internationale conferentie gehouden om af te spreken hoe de oorlog kon worden beëindigd. Nu heeft de wereld een vergelijkbare kans. De vraag is of die kans wordt aangegrepen nu er nog enige speelruimte is, of dat we wachten totdat uitputting en vertwijfeling geen alternatief meer openlaten.

©Tribune Media Services Inc.