‘Estland ondanks succes richting zelfvernietiging’

De Esten doen het goed – economisch. Maar het sociale beleid in Estland is bij alle economische dadendrang vergeten. Morgen kunnen de Esten daar bij verkiezingen een oordeel over geven.

Een wegwerpgebaar. De Estse premier Andrus Ansip (50) maakt het om de haverklap, elke keer als het over de kritiek op zijn beleid gaat. „Uw informatie klopt niet”, zegt hij dan, hoofdschuddend.

Bron van zijn ergernis is een recent VN-rapport over Estland. Daarin wordt een somber beeld van het land geschetst. Ja, de economie groeit al jaren als kool. Ja, dit is het land van digitaal vernuft, van Skype, van papierloos vergaderen en stemmen via internet. Maar achter de moderniteit schuilt een ander verhaal.

„Sociaal gezien zijn we verloren binnen de Europese Unie”, zegt politicoloog Raivo Vetik (49). „We hebben het hoogste aantal hiv-besmettingen, we hebben relatief het hoogste aantal gevangenen en de levensverwachting van de Estse man is met 66 jaar de laagste in Europa.”

Zondag mogen de Esten bij parlementsverkiezingen zeggen wie ze geloven, Ansip of de VN. Peilingen suggereren dat de Esten na vijftien jaar liberalisme toe zijn aan een sociaal bad. Ansips eigen rechtse Reformierakond (Hervormingspartij) wordt in de peilingen overvleugeld door coalitiepartner Keskerakond (Centrumpartij), die forse loonsverhogingen heeft beloofd.

Ansip, volgens zijn partijwoordvoerder „de gezondste en meest atletische premier die Estland ooit heeft gehad”, heeft zijn jasje uitgedaan. Hij wijst de plannen van Keskarakond, de partij waarmee hij na de verkiezingen vermoedelijk verder moet, faliekant af. „Niemand zal gekke ideeën toestaan”, zegt de premier. „Het zou de economie vernietigen. En sociale ontwikkeling loopt via de economie.”

Anu Virovere, een consultant, ziet wel brood in meer sociaal beleid. „Mensen in dit land moeten zo hard werken voor een fatsoenlijke boterham”, zegt Virovere, die zelf drie banen en een zevendaagse werkweek heeft. „Stress is een groot probleem aan het worden.” Hoop koestert ze niet. „Linkse partijen hier zijn eigenlijk ook gewoon rechts-liberaal”, zegt ze. Virovere gaat wel stemmen, maar veel landgenoten nemen de moeite niet eens meer. De opkomst bij verkiezingen is al jaren laag en volgens sombere schattingen zal de teller ook deze zondag op ongeveer 40 procent blijven steken.

Helen Bome (30), een kunsthistorica, heeft nog nooit gestemd. „Het interesseert me niet.” Nee, natuurlijk is ze het communisme niet vergeten. Ze draagt bij aan de samenleving, maar op haar eigen manier. Bome zit in het onderwijs en leidt wekelijks een oecumenisch bidgroepje. „Het enige wat ik verlang van politici is dat ze Estland vrij en onafhankelijk houden, zodat ik weg kan wanneer ik wil. En terugkomen”.

Vetik constateert bezorgd dat Estse politici naar populistische trucs grijpen om aandacht te trekken. Zo deed het parlement afgelopen maand opeens een (mislukte) poging om een Sovjetmonument in Tallinn te verwijderen. Het bronzen beeld staat er al jaren, maar vlak voor de verkiezingen werd het gretig bestempeld als „symbool van onderdrukking”.

Vorige week lanceerde Vetik het idee om kiezers niet alleen voor partijen te laten stemmen, maar ook tegen. „We moeten streven naar meer feedback”, zegt de politicoloog. „Dat zou kunnen door kiezers ook de kans te geven om te zeggen wat ze in ieder geval niet willen.” Hij denkt aan een systeem waarbij een kiezer één stem voor een partij mag uitbrengen en 0,3 stem tegen een andere partij.

Consultant Virovere is 67, maar ze denkt niet aan het opgeven van haar drie banen. Niet alleen omdat ze haar werk nog steeds leuk vindt, maar ook omdat haar pensioen maar éénvijftiende van haar huidige inkomen zou zijn. „Ze is bang dat we het niet zonder haar rooien”, zegt Maria (24), haar derde en jongste kind. Geen onterechte vrees. Maria verdient als beginnend pedagoge omgerekend 400 euro per maand, ruim 200 euro minder dan het gemiddelde loon.

Maria is zwanger, van haar tweede, en haar man zit zonder werk. „Ik werk met licht gehandicapte kinderen, maar sociale beroepen worden niet gewaardeerd”, zegt Maria. „Iedereen hier wil bankier worden of in het bedrijfsleven werken.” Maria niet, maar ze wil misschien wel weg, naar Denemarken.

„Ondanks het economische succes hebben we een fase bereikt van zelfvernietiging”, zegt Vetik. De politicoloog is vooral bezorgd over de nieuwe middenklasse. Die leunt zwaar op bankleningen. Een financiële crisis zou onmiddellijk desastreus uitpakken. Premier Ansip verdedigt zich met een barrage aan statistieken, over het mooie begrotingsoverschot, de gedaalde werkloosheid, de laagste staatsschuld van Europa, het superlage belastingtarief van 21 procent, dat de Esten heeft veranderd in brave belastingbetalers. Enzovoorts. Zijn veelzeggende opmerking dat hij over de middenklasse „een beetje bezorgd” is, verdrinkt in de cijferstortvloed.

Vetik pleit voor sociaal beleid, maar de ideeën van Keskarokond-leider Edgar Savisaar vindt hij „utopisch”. Dat vindt hij overigens van de meeste ideeën die zijn gelanceerd tijdens de verkiezingscampagne: anderhalf jaar betaald verlof voor zwangere moeders (Ansip); loonsverhogingen van 150 procent (Savisaar); nóg lagere belastingen (Ansip); gratis lunches voor schoolkinderen (Savisaar). Allemaal heerlijk onhaalbaar. „Niemand heeft nu zin in slecht nieuws”, zegt de politicoloog. „Maar als er na de verkiezingen geen coherent sociaal beleid komt, stevenen we af op een ramp.”