En daarom regent het, daarom regent het in Nantes

In het zevende deel van haar Heldenserie kruipt Maria Stahlie in de huid van de Franse chansonnière Barbara.

In Frankrijk is de zangeres, de chanteuse, Barbara (1930-1997) een monument, een instituut, een fenomeen dat haar landgenoten meer dan dertig jaar versteld heeft doen staan met een stem die tot over de rand gevuld was met emotionele droomkracht, met haar gave voor wonderschone melodieën, met dramatische optredens, met lyrische en aangrijpende teksten die - hoewel zonder uitzondering gebaseerd op persoonlijke smarten en vreugdes - verschoond waren van iedere gedateerde en therapeutische lading. Wat Joseph Brodsky ooit eens heeft gezegd over het werk van de dichteres Marina Tsvetajeva gaat onverminderd op voor de muziek van Barbara: 'The pain is biographical; the cry is above any individual'.

Het wezenlijke van muziek... Plato is bij lange na niet de enige die heeft vastgesteld dat muziek zeer direct van invloed is op de ontvouwing van ons innerlijke leven. Er is eervolle, verheffende muziek en er is eerloze, ondermijnende muziek. Het leek hem niet verstandig om onwetend te zijn van dit onderscheid. De heldin van dit stuk heeft al heel wat mensen verlost van hun muzikale naïviteit.

Barbara (geboren als Monique Serf, in een joods gezin dat voor en na de oorlog in Parijs woonde) is haar openbare leven begonnen als vertolkster van andermans liedjes en composities. Haar eerste plaat, Barbara chante Brassens et Brel (1960), werd meteen bekroond met twee belangrijke prijzen omdat het haar als genereuze 'interpreet' gelukt was haar eigen toon naadloos te vermengen met de werelden van Georges Brassens en Jacques Brel. Het is in de muziek de normaalste zaak van de wereld om andermans werk te vertolken. Waarom - zo heb ik me vaak afgevraagd - is het in de literatuur al een paar eeuwen lang niet meer gebruikelijk voor schrijvers om zich te ontfermen over de verhalen van andere schrijvers? Waarom zouden schrijvers elkaar niet de eer bewijzen om elkaars verhalen opnieuw te vertellen, om een 'vertellende interpretatie' te geven waarin men recht doet aan de atmosfeer en de betekenis van de oorspronkelijke versie zonder de eigen stem te verloochenen? Wiener schrijft Biesheuvel. Peper schrijft Elsschot. Haasse schrijft Alberts. Waarom niet? En waarom zouden schrijvers geen liedjes kunnen vertellen? Matsier schrijft Newman. Meijsing schrijft Cash. Rosenboom schrijft Jagger. Waarom niet?

Stahlie schrijft Barbara: Nantes.

De eerste trein die op weekdagen vanuit Parijs naar het Westen vertrekt, gaat rechtstreeks naar Nantes. Het is tien over half zeven, het is nog donker buiten. Ik ben niet de enige die op dit vroege uur aan een treinreis is begonnen. Er zitten drie mannen in mijn coupé, of liever gezegd, ik zit in hun coupé want aan de routine waarmee zij hun kranten hebben opengeslagen valt af te lezen dat zij deze reis zes keer per week maken. De kans is klein dat ze in Nantes moeten zijn, dat hun kantoor 350 kilometer verderop ligt. Ik moet al die kilometers wel afleggen, ik moet viereneenhalf uur in deze trein zitten: veel te lang.

Het bericht is gisteravond laat per telefoon gekomen, zomaar, na een stilte van tien jaar: 'Madame Serf, u moet naar de Rue de le Grange-au-Loup komen, nummer 25... u moet haast maken, er is geen hoop meer... hij heeft naar u gevraagd...'

De coupé wordt weerspiegeld in de ruit, ik zie mezelf zitten, 29 jaar oud, kort zwart haar, een smal en bleek gezicht, de ene hand die in de andere knijpt. De trein moet sneller gaan, hij had al uren eerder moeten vertrekken. Er moet een scheiding ongedaan gemaakt worden, een schending worden uitgewist. Het is in de vroege ochtend van 23 november, 1959, nog niet te laat. Hij heeft naar mij gevraagd. Wat doet hij in Nantes, de vagebond, de avonturier, de voortvluchtige? Hoeveel omzwervingen kan een man maken in tien jaar? Is er iemand geweest die hem heeft liefgehad? Ik ben nog nooit in Nantes geweest, ik weet er niet meer van dan dat het een havenstad is en dat Jules Verne er is geboren.

Het wordt al licht, de tijd verstrijkt terwijl ik niets anders kan doen dan zitten. Ik kijk naar buiten, ik hoor het gestage gedreun van de wielen op de ijzeren rails, ik denk na. Wat kan ik hem het beste vertellen als ik er ben? Het moet meteen goed zijn. Ik zal hem zeggen dat ik me red. Hij moet weten dat ook ik vertrokken ben, nog geen jaar nadat hij ons verliet. Als hij weet dat ik in Brussel heb gewoond dan zal hij zijn eigen reislust in mij herkennen. Hoe vaak heb ik me niet voorgesteld dat hij in de zaal zat van het kleine Belgische theater of, later, van de Parijse clubs waar ik - la chanteuse du minuit - vanaf middernacht de liedjes van anderen zong. Altijd mannen, het zijn altijd de woorden van mannen die ik zing. Ik heb een platencontract gekregen voor die liedjes, maar een vrouw denkt anders over de liefde dan een man, het is niet anders. Ik ga hem een geheim vertellen: tegenwoordig smokkel ik zo nu en dan een zelfgeschreven liedje het programma binnen... na middernacht merkt niemand dat. Hij moet begrijpen dat ik me altijd zal redden. De komende jaren - dit lijdt geen twijfel - ga ik veel eigen nummers schrijven. Ik weet, ik wil dat hij weet dat alle gemoedsbewegingen, alle gevoelens die ik ooit zal hebben, bij mijn geboorte in mijn hart zijn gebrand en dat de gloed daarvan nooit zal verzwakken. Ik weet, ik wil dat hij weet dat ik er met de intiemst denkbare woorden en melodieën niet op uit zal zijn om toehoorders in verlegenheid te brengen maar om scheidslijnen te slechten. Hij zal alles begrijpen.

De drie mannen zijn allang uitgestapt, ik ben de enige die de hele rit moet uitzitten. Buiten zie ik akkers, weilanden en bossen onder een donkergrijs-bewolkte hemel. Het duurt nog een uur voordat de trein het station van Nantes binnenrijdt. Ik vrees dat ik niet op tijd zal zijn in de Rue de la Grange-au-Loup. 'U moet haast maken, er is geen hoop meer... hij heeft naar u gevraagd...' Een scheiding moet ongedaan gemaakt worden, een schending worden uitgewist. Ik moet hem nu al, in gedachten, deelgenoot maken van mijn toekomst. Een wilde droom, die toekomst. Er staat mij erg veel roem te wachten, niemand heeft zoveel roem nodig. Prijzen, interviews, ontmoetingen met presidenten. Meer dan één plein krijgt mijn naam, meer dan één postzegel draagt mijn beeltenis. Een reeks optredens in l'Olympia. Ik maak furore. Het publiek is mijn grootste liefde maar zelfs de allergrootste liefde heeft lucht nodig: ik leid, soms maanden achter elkaar, een teruggetrokken leven in het dorpje - niet ver van Parijs - waar ik ben gaan wonen. Deze reis, deze onwezenlijke reis naar Nantes, wordt het onderwerp van een liedje waarin het me gegeven is om de toewijding van mijn ziel aan taaie en verwoede dromen gezicht te geven. En de nacht die verweven is met deze treinreis, de nacht die koud en zwaar was van geruisloze geluiden, dat verre en donkere uur vol onbegrijpelijke handelingen... in een ander lied laat ik dat verraad - gestileerd, onherkenbaar, gezwollen - aan het daglicht treden. Het is vreemd om furore te maken met persoonlijke vreugdes en smarten. Ik maak furore. Er zijn tussen 1970 en 1980 grote tournees, door heel Frankrijk, door het Verre Oosten, door Canada, door Duitsland, Engeland, Italië, België en Nederland. In een Nederlandse provincieplaats die Breda heet zit een puber in het publiek, een onrijp meisje dat door haar leraar Frans is meegetroond naar het theater. Het onrijpe meisje is twee weken eerder naar een ander concert geweest, naar een concert van Lou Reed, The Rock and Roll Animal. De in zwart leer gestoken, krijtwit geschminkte, gedrogeerde componist heeft diepe indruk op haar gemaakt met zijn oorverdovende, van ieder levensteken verstoken optreden. Ze vindt mij, in mijn zwarte jurk en aan mijn zwarte piano, een aanstelster. Ze vindt mij, met mijn gedragen vertolkingen, een ouderwetse zangeres die - net als haar moeder - sigaretten uit een pijpje rookt en op haar middelbare leeftijd doodsbenauwd is voor de toekomst.

'Rue de la Grange-au-Loup, nummer 25', zeg ik tegen de taxichauffeur als ik ben ingestapt. Het regent in Nantes. De trein is op tijd gearriveerd maar het is bijna zeker dat ik te laat ben. De straten, de gebouwen, de huizen zijn vaal op deze dag. Ik hoop tegen beter weten in, ik hoop dat ik nog afscheid van hem kan nemen, dat ik nog iets tegen hem kan zeggen. Ineens weet ik hoe ik onze scheiding ongedaan ga maken. Niet het heden of de toekomst zal ik aan zijn sterfbed ter sprake brengen maar het verre verleden zal ik voor hem oproepen, toen hij nog de regenmaker was, de sterrenplukker. Kinderstemmen die als helder watergeklater in de tuin van zijn huis opklonken. Het huis dat schuilging onder een dicht dek van rozen. Het zware parfum van de rode salie rond de waterput.

Het regent in de straat waar het kleine ziekenhuis is gevestigd. Mijn haar is nat als ik hoor dat ik op de eerste verdieping moet zijn, in de laatste kamer van de gang. Aangekomen bij die kamer blijf ik in de deuropening staan.

Dit is het beeld dat me altijd zal bijblijven: rond het bed waarop mijn vader ligt staan vier mannen. Ze dragen zondagse kleren. Ik stel geen vragen. Aan hun blikken kan ik zien dat ik te laat ben.

Ik loop door Nantes. Nu ken ik het verhaal: gisteravond laat keerde mijn vader terug in mijn leven omdat hij, voordat hij ging sterven, zijn dochter wilde zien. Vannacht is hij gestorven, zonder een adieu, zonder een je t'aime. En daarom regent het, daarom regent het in Nantes.

Maria Stahlie is schrijfster. Haar vorige Helden waren John Cassavetes, Luigi Boccherini, Black Elk, Wislawa Szymborska, Lev Sjestov en John Cheever.