Een goed mens

Wat Fischer en Kasparov zeiden, dat het er in het schaken om gaat de tegenstander geestelijk te vernietigen en dat het de meest gewelddadige sport is, dat zal je nooit horen van de Zweedse grootmeester Ulf Andersson.

In de tijd dat ik hem vaak ontmoette geloofde hij niet in het bestaan van het kwaad en van slechte mensen. Slechte daden konden bestaan, maar slechte mensen niet.

'En Hitler dan, was die ook niet slecht?' vroeg Jan Timman eens. Hij moest wel met zwaar geschut komen. Ulf dacht er ernstig over na en na een tijdje zei hij: 'Mischien was Hitler voor een deel wel slecht.'

Op het eerste gezicht is het vreemd dat zo'n vreedzaam mens een stijl van schaken heeft die vaak als sadistisch wordt ervaren. Hij houdt ervan om in lange partijen een microscopisch klein voordeeltje uit te buiten, terwijl de machteloze tegenstander zelf niets kan ondernemen. Die tegenstander voelt zich alsof hij aan de Chinese waterdruppelmarteling wordt onderworpen.

Toch is sadisme beslist niet Ulfs motief, want hij wil de tegenstander geen pijn doen. Wat hij wil is totale controle over de gebeurtenissen.

Kun je dan niet beter notaris worden dan beroepsschaker? In de kindertijd ligt het anders. Voor een kind kan het schaakbord het enige plekje zijn waar het de dingen zelf in de hand heeft. Om zijn kinderwens van almacht te vervullen kan iemand voor het hachelijke beroep van schaker kiezen.

Al maakt Andersson er geen gewoonte van om de tegenstander naar de keel te vliegen, hij kan het wel als het zo uitkomt.

Andersson-Rogoff, Olot 1971.

Wit begint en komt in beslissend voordeel.

Oplossing Schaken: 1. Tf1xf7 De7xf7 (Na 1...Txf7 2. Pxg6+ wint wit meteen) 2. Ph4xg6+ Df7xg6 (Of 2...Kg7 3. Pxe5+) 3. Dg4xg6. Wit heeft beslissende materiaalwinst geboekt en won de partij.