Dit is ons indiaantje

Het Tropenmuseum in Amsterdam stuitte in de kelder op duizenden lichaamsdelen uit de voormalige koloniën. „Wij zijn het eerste museum dat het bezit aan menselijke resten zo systematisch onder ogen ziet en naar buiten brengt.”

De goederenlift op de binnenplaats achter het Tropenmuseum zakt geruisloos naar niveau 1. David van Duuren strijkt met zijn magneetkaart een deur open, hij knipt tl-balken aan en volgt de ondergrondse verwarmingsbuizen tot aan stellingkast C 07. „Kijk, dit zijn de dozen met schedels”, zegt hij. „Tien strekkende meter, aan weerszijden.”

De museumveteraan (bijna veertig jaar in dienst, je zou hem een lintje gunnen) licht een van de deksels. „We hebben ze verpakt in vloeipapier, zoals je dat met bonbons zou doen. Oh, wacht… dit is een gemummificeerde aap...” Onder een volgend deksel met opschrift ‘Human remains, serie 2296’ liggen evenmin schedels: de doos is gevuld met wervels en heupgewrichten van Papoea’s. „Dit is in de jaren vijftig opgegraven uit een dodenakker in Nieuw Guinea, door de gouvernementsarts Van der Hoeven”, zegt de conservator. „Je vraagt je af: Waartoe? Welk onderzoek was hiermee gediend?”

Elders in de catacomben, onder serienummer 4024, liggen kunstig gedroogde hoofden van Jivaro-indianen met daarnaast een ranke vaas waarin een uit Suriname afkomstige foetus zwemt – aangekleed met sandaaltjes, een rokje en een raffiatooi. „Dit is ons indiaantje, waar vooral oudere bezoekers herinneringen aan zullen hebben.” Van Duuren heeft de afgelopen twee jaar doorlopend gewerkt aan het inventariseren, sorteren en documenteren van duizenden lichaamsdelen van voornamelijk koloniale onderdanen.

„’t Is op orde nu”, zegt hij. „De discussie kan beginnen: hoe komen we hier op een ethisch verantwoorde manier van af?”

Voordat die vraag gesteld kon worden heeft de staf van het Tropenmuseum zich aan een confronterend en in de museumwereld zeldzaam onderzoek gewaagd. „Iemand moest het doen”, zegt hoogleraar geschiedkunde Susan Legêne. Tien jaar terug nam zij de verantwoordelijkheid op zich voor de collectie van het Tropenmuseum – in de veronderstelling dat er zich geen lijken in de kast bevonden. Wel wist ze van trofeeën als gesnelde Papoea-schedels of de ‘schrompelhoofden’ van de Jivaro’s. Maar niets van het ondergrondse knekelveld van skeletdelen, die tot 1969 waren verzameld voor de fysische antropologie ofwel ‘rassenkunde’, een dubieuze en in onbruik geraakte tak van wetenschap die in Duitsland (Blut und Boden) en Zuid-Afrika (apartheid) in een fatale rassenleer was ontaard. Het ging om niets minder dan de onverkwikkelijke erfenis van een vakgebied dat moreel failliet was geraakt en is vervangen door de culturele antropologie.

Als pas aangesteld ‘hoofd museale zaken’ was Legêne evenmin op de hoogte van het aanbod (uit 1996) van het Tropenmuseum aan de Universiteit van Amsterdam: jullie mogen onze in bruikleen gegeven collectie fysische antropologie houden – als een schenking. Een kwart eeuw eerder, bij de verbouwing van 1973, was het ‘schedelhok’ van het museumdepot leeggehaald; de inhoud was in dozen afgevoerd naar het universitaire Museum Vrolik (anatomie), dat de geleende boedel uiteindelijk liet opslaan in de atoomschuilkelder onder het Amsterdams Medisch Centrum.

De partij menselijke resten was vergeten, verweesd. Totdat rond de millenniumwisseling een polemiek losbarstte over teruggave van preparaten als de opgezette Neger van Banyoles (Spanje) en de lange, in wijngeest geconserveerde schaamlippen van Saartjie Baartman de ‘Hottentot Venus’ (Frankrijk). In het Tropenmuseum sprak een depotmedewerker Susan Legêne in de gang aan: „Wist je dat wij van alle volken van de archipel een voorbeeld hebben?”

Nee dus.

„We zijn meteen gaan kijken”, zegt de 51-jarige Legêne op haar werkkamer. Ze ziet de trappen en metalen kluisdeuren onder het AMC weer voor zich. Links een rij vervuilde toiletpotten en verder stapels nimmer uitgepakte verhuisdozen waaruit een muffe, weeïge geur optrok. De stank van rottend beenmerg, meende een stagiair die de opdracht kreeg de verzameling lichaamsdelen te vergelijken met de inventarislijst. Er stonden potten met de hersenen van zestig Chinezen, weckflessen met Javaanse kinderen en een doos met een getatoeëerd Maorihoofd. „Die is van ons”, merkte een medewerker van het Vrolikmuseum op. „Maar als jullie hem willen hebben, neem hem dan alsjeblieft ook mee.” Nu was het de beurt aan het Tropenmuseum om het aanbod af te slaan (‘Wij pakken zoiets niet meer aan’).

Susan Legêne herinnert zich de grote omvang van de verzameling. „Je vroeg je af: waar te beginnen? Nu, zeven jaar later, zijn we nog steeds niet aan de natte preparaten toegekomen.”

David van Duuren had het gevoel naar een oude zwart-witfilm te kijken waarvan het geluid verloren was gegaan. Nadat de droge delen in 2005 waren terugverhuisd naar het Tropenmuseum – Legêne had besloten de verantwoordelijkheid niet te ontlopen – waren hij en staflid Micaela Pereira begonnen het gebeente en de documentatie bij elkaar te zoeken, in een poging deze curieuze verzamelgeschiedenis van ondertitels te voorzien.

Gehuld in witte pakken met capuchons brachten ze dagen achtereen door tussen de stoffelijke overschotten van minstens zoveel mensen als dit artikel woorden telt. „Nou jongens, tot morgen maar weer”, placht Pereira te zeggen.

Van Duuren besefte „dat schedels geen pijlpunten” zijn, maar bleef uiterst nuchter onder dit werk. „In de trein viel er eens een vergeelde kies uit mijn broekspijp. Die heb ik toen maar opgeraapt en weggeborgen, zonder uitleg te geven aan de dame tegenover mij.”

Tot ieders verbazing bleek de fysische antropologie in het Tropenmuseum nog tot twee decennia na de Tweede Wereldoorlog te zijn beoefend. Van Duuren, die er in 1967 als stagiair binnenstapte, bleek er zelf het staartje van te hebben meegemaakt. Zowel tijdens zijn studie culturele antropologie in Utrecht (waar hij nog was onderwezen in de ‘schedelmetrie’) als tijdens zijn kennismaking met de plek waar hij zijn professionele leven zou slijten: in 1967 stierf de laatste, door het Tropenmuseum aangestelde hoogleraar fysische antropologie.

Toen Van Duuren er eind jaren zestig in dienst trad, werd de lunch tussen de middag ingeluid door een slag op een Indonesische gong („Dan at je je boterhammen op”). De directeur was een oud-gouverneur, de op een na laatste, van de kolonie Nieuw Guinea. Zo waren de tijden. Maar die veranderden radicaal in de jaren zeventig. Terwijl het museum in 1973 de deuren sloot voor een langdurige verbouwing, stond Jan Pronk (toen nog met baard en lange haren, maar al wel minister van Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl) met een verfkwast de schutting voor de hoofdingang op te fleuren. „Toen we weer opengingen waren we een schouwtoneel van bewegingen in de Derde Wereld”, herinnert Van Duuren zich. „Je had Castro-liefhebbers, je had Allende-volgelingen en de exposities gingen over landhervormingen, sloppenwijken, uitbuiting. Er hingen overal affiches in het museum, terwijl de vaste collectie in het depot verdween.”

Dat alle schedels, knoken en natte preparaten tijdelijk elders waren opgeslagen, had hij zich nooit gerealiseerd. De verzameling menselijke resten bestond eenvoudig niet meer, en toen Van Duuren in 1990 een gedenkboek schreef over ‘125-jaar verzamelen’ heette het dat de verzameling van het fysische antropologisch onderzoek was ‘afgedankt’. De toenmalige directeur schreef in het voorwoord: „Ook bezit het Tropenmuseum voorwerpen die we nu bizar vinden, zoals het bij vele oude bezoekers bekende ‘indiaantje op sterk water’. Dit is een uit Suriname afkomstige foetus die in de negentiende eeuw in Nederland is geprepareerd en voorzien van sandalen, een rieten rokje en een indianentooi. Het is een erfenis uit de collectie van de fysische antropologie die destijds grotendeels is afgestoten”.

Niet alleen het weerzien met de lichaamsdelen, maar ook het reconstrueren van het bijbehorende verhaal bleek een spannende, beladen exercitie. Welke geleerden hadden zich met de fysische antropologie beziggehouden, en in hoeverre hadden zij zich in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog laten meeslepen door de Duits-nazistische invulling van de rassenleer en eugenetica?

Ooit een van de bekendste antropologen van Nederland, met een eigen lemma in menige encyclopedie, bleek als geen ander zijn stempel op de verzameling te hebben gedrukt. Deze vrijwel vergeten dr. Kleiweg de Zwaan (1875-1971), een voormalig scheepsarts die had deelgenomen aan expedities naar Sumatra, Java, Lombok en Bali, was in 1915 als hoofd van de nieuwe afdeling Volkenkunde aangesteld bij het toenmalige Koloniaal Instituut. In het Tijdschrift voor Binnenlandsch Bestuur plaatste hij een oproep aan koloniale ambtenaren, militairen, zendelingen, artsen en planters om hem van „antropologisch materiaal te voorzien”. „Van schedels verzamele men vooral die van volwassen individuen, waarbij het zaak is te trachten ook de onderkaak en de tanden te verkrijgen (…) De beenderen van hand en voet, rechts en links, verpakke men afzonderlijk.” Te verschepen naar: Plantage Middenlaan 58, Amsterdam.

Kleiweg de Zwaan koos in de beschrijving en catalogisering van de menselijke resten voor de traditionele, in Duitsland ontwikkelde systematiek, en niet voor de Amerikaanse traditie die juist in die tijd het veronderstelde causale verband tussen ras, cultuur en intelligentie in twijfel begon te trekken. In 1939 sprak hij over de antropologie als een wetenschap die door de kennis van de mens uiteindelijk „datgene wat menselijk is zal verbeteren”. 1939 was ook het jaar waarin het Koloniaal Instituut overwoog een apart Museum van de Mens op te zetten naar het voorbeeld van het Musée de l’Homme in Parijs. Het waren hoogtijdagen voor de fysische antropologie. Nederlandse beoefenaars wogen nieren, harten en levers van Javanen. Ze namen bloedmonsters van pygmeeën en Papoea’s om de bloedgroepverdeling te bestuderen, op zoek naar de kenmerken van „raszuiverheid’ en ze registreerden ‘de smaakgewaarwording van ureum onder Jooden en niet-Jooden” – alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

David van Duuren: „Wat wij tegenkomen is dat Kleiweg de Zwaan plotseling in 1939 ontslag neemt, en we weten niet waarom.”

Vervolg op pagina 38

Er liggen nog geen claims op de collectie

Tijdens de bezetting blijft hij nog een aantal jaren hoofd van het Nederlands Antropologisch Bureau, tot hij ook daar zonder ruchtbaarheid van het toneel verdwijnt. Van zijn opvolger aldaar is bekend dat die joden voorzag van ‘niet-Jood’-verklaringen, die hij met het gezag van de fysisch antropoloog opstelde en ondertekende. Maar waar stond Kleiweg de Zwaan?

„Het beeld dat oprijst is dat van een toch wat naïeve wetenschapsman”, zegt Van Duuren. „Hij keek naar de volken op aarde alsof hij fluitend met een zakflora door een weiland liep. Zijn geschriften zijn vergelijkend, metend, nauwelijks oordelend.”

Schokkender dan de loopbaan van Kleiweg de Zwaan was de ontdekking dat de fysische antropologie weinig scheen te hebben geleerd van de jodenvervolging en de Mengele-achtige uitwassen van de eugenetica. De opvolger van Kleiweg de Zwaan, geneesheer dr. Rudolf Bergman, erkende dat hij vóór de oorlog nooit had beseft dat zijn vakgebied „een kwestie van leven en dood” zou worden. Bergman maakte deel uit van het selecte gezelschap experts dat in 1950 de stellige UNESCO-verklaring tegen rassendiscriminatie formuleerde: een poging om met kracht van argumenten af te rekenen met het denken in inferieure en superieure menstypen. Tegelijkertijd ging hij echter door met het verzamelen van schedels en andere botdelen. Uit het archief van het Tropenmuseum doken gespreksnotulen op waaruit blijkt dat Bergman eind 1950 de gouverneur in Nieuw Guinea om de levering van „Japanse schedels” heeft gevraagd. Aan dat verzoek is gehoor gegeven: er kwamen in totaal vijf partijen aan met de resten van soldaten die in Japanse uniformen waren gesneuveld.

‘Toen we dit ontdekten, zijn we meteen bij elkaar gaan zitten”, vertelt Susan Legêne. „Kennelijk wilde Bergman weten wat er aan Japanse schedels nou specifiek Japans was. Hij was dus nog steeds op zoek naar raskenmerken.”

David van Duuren stuitte vervolgens op het verleden van een van de schenkers, gouvernementsarts Van der Hoeven. Dat bleek een oud-SS’er te zijn die voor collaboratie was veroordeeld, maar die zijn gevangenisstraf mocht omzetten in een artsenbaan in Nieuw Guinea. Uitgerekend deze man had de meeste resten van Japanse soldaten opgestuurd, alsook een lading van 1.225 schedels en andere botdelen uit een oude, door hem zelf overhoop gehaalde Papoea-begraafplaats.

„Susan, wat te doen met deze biografische gegevens?” vroeg Van Duuren in een briefje aan zijn chef. „Vermelden toch maar?”

Onderwijl vloog de discussie binnenskamers alle kanten op. Legêne herinnert zich dat iemand opperde dat ook de foto’s uit de collectie fysische antropologie in feite tot de menselijke resten gerekend moesten worden. „Nou, dan ben je zo drie uur verder.” Uiteindelijk besloot ze om alle dilemma’s die opkwamen voor te leggen aan een internationale groep experts die op voorwaarde van geheimhouding in 2006 in Amsterdam voor een tweedaagse conferentie bijeenkwam. Iedere deelnemer kreeg een genummerd exemplaar met de voorlopige bevindingen, want, zegt Legêne, „we wilden eerst ons huiswerk goed doen voordat we ermee naar buiten zouden treden”.

Tot dat huiswerk behoorde aanvankelijk ook een gedetailleerd plan om van de collectie af te komen, met opties als begraven, cremeren, doneren (aan de medische wetenschap) en teruggeven (aan wie er een redelijke aanspraak op zou kunnen maken). Maar de buitenlandse experts adviseerden eenstemmig om niet voor de muziek uit te lopen. De raad was: eerst aankondigen wat er ligt, en pas op basis daarvan de discussie aangaan over de toekomst van de collectie. Er was ook verbazing, zoals bij de Zuid-Afrikaan Ciraj Rassool, over de betrekkelijke onschuld van de fysische antropologie in Amsterdam, vooral in vergelijking met de openlijk racistische vraagstelling waarmee ‘volkenkundigen’ zich tijdens het apartheidsregime over soortgelijk materiaal hadden gebogen.

De ontmoeting met de adviesgroep heeft Legêne en Van Duuren gesterkt in hun mening dat de introspectie van het Tropenmuseum uniek is in de museumwereld. „Wij zijn het eerste museum dat het bezit aan menselijke resten zo systematisch onder ogen ziet en naar buiten brengt”, zegt Van Duuren. Legêne voorspelt dat vele musea zullen volgen. Alleen al het bezit van het Maori-hoofd (Vrolikmuseum), of het door Nederlandse slavenhandelaren geconserveerde hoofd van een ter dood veroordeelde Hanta-koning van de Afrikaanse westkust (bezit van het Anatomisch Museum van Leiden) nopen tot openheid.

Het kritische zelfonderzoek in musea is al enige jaren in beweging, getuige ook de teruggave en repatriëring van een Maorihoofd van het Leidse Rijksmuseum voor Volkenkunde in november 2005. Het Tropenmuseum is dus relatief laat wakker geschrokken, maar gaat nu de polemiek met open vizier aan.

Die discussie is overigens al begonnen. In 2006 had Susan Legêne de ‘schrompelhoofden’ van de Jivaro-indianen, die als culturele artefacten nog wel tentoongesteld waren, naar het depot laten verhuizen. Maar de expositie die ervoor in de plaats kwam riep evengoed weerstand op. Uitgestalde attributen als een Haut Farben Tafel, een soort verfwaaier om iemands huidskleur in te schalen, en microscoopglaasjes met haarmonsters – het bleken stenen des aanstoots voor Amerikaanse en Duitse studenten die in 2006 in Utrecht een cursus vrouwenstudies volgden.

Van Duuren ziet nog voor zich hoe ze hun monden vertrokken als hij sprak over „so-called primitive races”. „Het was alsof ik stond te vloeken.” De studenten stoorden zich aan een geluidloos filmfragment uit 1926 van een Nederlands-Amerikaanse expeditie waarbij lachende Papoea’s werden opgemeten. Het hoge woord kwam eruit: het Tropenmuseum was ‘racistisch’ omdat het had nagelaten de beelden in te lijsten in waarschuwende, excuserende teksten.

Legêne en Van Duuren zeggen klaar te zijn voor het debat zodra ze hun onderzoek dit weekeinde op een congres in Londen hebben gepresenteerd. Dat ze van de omstreden verzameling af willen staat vast, de vraag is alleen: hoe doe je dat op een nette manier.

Ten gevolge van dit besluit weigert het Tropenmuseum nu om een foto van het indiaantje-op-sterk-water af te staan. Verder is besloten om niet actief op zoek te gaan naar mogelijke erfgenamen, verwanten of andere groepen die aanspraak kunnen doen gelden op delen van de collectie. Er liggen nu geen concrete claims, maar als die komen zal het museum ze niet uit de weg gaan.

Voordat de verzameling een nieuwe bestemming heeft gevonden, zullen er naar verwachting nog jaren verstrijken. Legêne: „Ik denk ook dat we nog een slottentoonstelling zullen inrichten met als titel ‘Goodbye to physical anthropology’.”

Frank Westerman schreef eerder over deze thematiek het boek ‘El Negro en ik’. Het symposium Value of Human Remains in Museum collections, georganiseerd door het Museum of London, vindt vandaag en morgen aldaar plaats.