Deur dicht, anders gaan ze lopen

Gevangenissen in België zijn oud en overbevolkt. „Alles wat geld kost, is geschrapt.”

Een eerste bezoek aan een gevangenis is een wat onwezenlijke ervaring. Je ziet mannen op een binnenplaats lopen. Allemaal dragen ze dezelfde kleding, rood en grijs in dit geval. Sommigen trappen tegen een voetbal. Anderen lopen doelloos in een rondje. Net als in de film, maar dan echt.

Een Belgische gevangenis is extra bevreemdend. De meeste Belgische gevangenissen zijn oud, want gebouwd in de negentiende eeuw. Zo ook deze in Leuven, nabij Brussel. Er staat een rode, bakstenen muur omheen. Compleet met torens, die de suggestie wekken van een kasteel. Binnen zijn sommige afdelingen gerenoveerd, andere niet. Ideaal als je een wandeling door de tijd wilt maken.

Paul Dauwe werkt sinds 1991 in de Hulpgevangenis Leuven. Vroeger wilde hij missionaris worden. Nu is hij gevangenisdirecteur. Dat ‘hulp’ van hulpgevangenis is een slechte vertaling van het Franse ‘secundair’. Het betekent dat de inrichting bedoeld is voor mensen met een korte straf. Maar ‘kort’ kan tegenwoordig wel oplopen tot vijf jaar, of langer. Net als in Nederland worden de straffen in België zwaarder. Anders dan in Nederland zijn hier de afgelopen jaren nauwelijks gevangenissen bijgebouwd. Het gevolg: overbevolking.

Paul Dauwe klopt op een deur van een cel. Acht vierkante meter groot is die. Achter de deur zitten drie jongens aan een tafeltje. Verder staat er een stapelbed, voor twee man. Als de jongens klaar zijn met eten of kaarten, gaat het tafeltje aan de kant. Dan is er net genoeg ruimte op de vloer om een derde matras onder het bed vandaan te schuiven.

De jongens hebben zelf gevraagd of ze een cel mochten delen. „Ik ken hem van zó af”, zegt een van hen. Hij houdt zijn hand ter hoogte van zijn middel en wijst op een celmaat. Een van de drie speelt viool, een ander gitaar. Samen maken ze muziek.

Paul Dauwe: „Toen bij jullie de discussie speelde over ‘twee op één cel’ kreeg ik wel Nederlandse delegaties op bezoek. Die vroegen: hoe doen jullie dat, hoe hebben jullie dat geregeld? Maar er is helemaal niks geregeld hier. Er is geen wet die verbiedt meer dan één persoon in een cel te plaatsen. Als er morgen tien mensen worden opgepakt, dan heb ik te zorgen dat daar plek voor is. En als rechters zwaarder straffen, dan gebeurt dat gewoon. In Nederland worden daar afspraken over gemaakt. Hier niet.”

Is dat erg? „Ja”, zegt Paul Dauwe. „Het is een schande. De cellen zijn gebouwd voor één persoon. Maar dat kan allang niet meer. De regel is nu twee, soms drie. En toen we hier een paar jaar geleden aan het verbouwen waren, zaten er vier mensen op zo’n cel.”

Net als in Nederland zijn justitie-onderwerpen populair bij pers en politiek. Vroeger, vertelt Dauwe, was dat anders. „Voor ‘Dutroux’ wist niemand in dit land dat er gevangenissen waren.” Als ze maar goedkoop waren, was het goed. Nu staan er regelmatig verhalen in de kranten over gevangenissen. Over spanningen, als gevolg van de overbevolking. En over ontsnappingen.

Vorig jaar was sprake van een record in Dendermonde. Achtentwintig gevangenen ontsnapten nadat enkelen van hen een houten deur hadden weten open te wrikken met materiaal dat ze in hun cel hadden gevonden. Hun vlucht had enkele klassieke kenmerken. De gedetineerden maakten gebruik van aan elkaar geknoopte lakens. Een telefooncel, naast de gevangenismuur, brak hun val. Hoofdredacteur Yves Desmet van De Morgen schreef in een commentaar over de ontsnapping: „Het kost enigszins moeite om daar niet de ingrediënten van de betere Belgenmop in te ontwaren. De technologische evolutie is het Belgische gevangeniswezen ontgaan.”

Paul Dauwe heeft in zijn gevangenis nog één vleugel die niet is opgeknapt. Die ziet er nog net zo uit als in 1865, toen de gevangenis werd gebouwd. „Dit zijn de deuren van Dendermonde”, wijst de gevangenisdirecteur nadat we een gietijzeren trap op zijn gelopen. De deuren zijn van hout en zitten vol krassen.

Een toilet is er niet in de cellen. Dat is niet zo erg, want er zitten in deze vleugel alleen mensen die binnenkort vrijkomen. Ze mogen overdag naar school of naar hun werk. De deuren van de cellen zijn alleen ’s nachts gesloten. Maar er zijn ook gevangenissen in België waar zulke afdelingen gewoon in gebruik zijn. Gedetineerden moeten hun behoeften in een emmer doen. Daarom ruikt het er naar stront, vertelt een cipier die tot voor kort in zo’n gevangenis werkte. „En het stikte daar ook van de muizen en ratten.”

Strozakken

Ooit liep België voorop in Europa. In de negentiende eeuw werden er overal in het land nieuwe gevangenissen gebouwd, zoals deze in Leuven. Paul Dauwe, opgeleid als criminoloog, kent de geschiedenis.

Hij vertelt: „De bedenker van dit type gevangenissen, Edouard Ducpétiaux, was een felle anti-orangist. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van België werd hij door de Hollanders in de gevangenis gezet. Dat was toen: een zaal vol gevangenen, die sliepen op strozakken. In zo’n zaal gold de wet van de sterkste.

„Toen België onafhankelijk werd, greep Ducpétiaux net naast een ministerspost. Maar als hoge ambtenaar werd hij verantwoordelijk voor een groot deel van de ambtenarij én voor het gevangeniswezen. Met name dat gevangeniswezen had zijn interesse. Hij bedacht een gevangenissysteem dat het tegenovergestelde was van wat hij had meegemaakt. Hij wilde mensen strikt individueel opsluiten. De gedachte was: de mens is van nature goed. Door situationele aspecten wordt hij tot slechte dingen gedreven. De gevangene zou vanzelf, door penitentie, tot het goede komen. Daarom mocht hij geen enkel contact hebben met de buitenwereld. Als hij ging luchten, kreeg hij een kap over het hoofd. De periode van Ducpétiaux is de enige waarin het Belgische gevangeniswezen zo centraal is aangestuurd. Het probleem is nu: we zitten nog met die oude architectuur.”

In het midden van het gebouw laat Paul Dauwe zien wat hij bedoelt. De gevangenis telt drie lange, rechte vleugels: galerijen met aan weerszijden cellen. Ze komen samen op één punt. Vandaar kon de hele gevangenis worden overzien. Ruimte voor recreatie of onderwijs was niet voorzien. „Terwijl de hedendaagse visie is dat je mensen uit de cellen moet halen”, zegt Dauwe. „Maar deze gevangenis is niet gemaakt om rond te lopen.”

Priester

Er was wel een kapel. Die bestond uit zes kleine zaaltjes die rondom een centraal podium waren gebouwd. Zo konden de gedetineerden in zes kleine groepen, gescheiden door muren, de mis bijwonen. Om de kans op contact nog verder te verkleinen, zaten alle gevangenen ook nog eens individueel in een houten hok. Dat was alleen open aan de voorkant. De gedetineerden konden daardoor maar één kant op kijken: naar de priester.

Van de zes zaaltjes waaruit de kapel bestond, is er nog maar één als zodanig in gebruik. Andere zijn verbouwd tot bibliotheek, filmzaal of fitnessruimte.

Paul Dauwe: „Twintig jaar geleden waren gevangenissen in België nog zéér repressief. In arresthuizen als deze werden mensen opgesloten en daarmee uit. Vroeger klom je op van cipier tot directeur. Vanaf halverwege de jaren zeventig veranderde dat. Er werden toen criminologen naar de gevangenissen gestuurd. Ik ben wat later in het gevangeniswezen gaan werken, in 1981. Maar de eersten van die academici wisten niet wat ze overkwam. Ze moesten zien dat ze niet buiten werden gegooid door het personeel. Want dat wilde in het begin niet van verandering weten.

„Die criminologen moesten proberen de strafuitvoering wat humaner te maken. Meer bezoekmogelijkheden. Lessen. Een zinvolle tijdsbesteding. Het ging langzaam. Ik begon hier in 1992 met lessen. Een beetje algemene kennis. Lezen en schrijven. Niet meer. Als ik er niet bij was, dan gingen de lessen niet door.”

Het probleem is nu gebrek aan geld, zegt Dauwe. „Gevangenen kunnen hier frisdranken, sigaretten en telefoonkaarten kopen. Daar heffen we een taks op. En met dat geld kunnen we dingen doen. Lessen worden voor een klein gedeelte door justitie betaald. Het grootste deel komt uit die taksen. Er is niemand die me verplicht het zo te doen. Ik kan het ook laten. Maar als ik geen winst maak op consumpties, dan kan ik geen voetbal voor de gedetineerden kopen, geen bibliotheek beginnen.

„Dit jaar is een nieuwe wet in werking getreden waarin de basisrechten van gevangenen zijn vastgelegd. Er staat bijvoorbeeld in dat er gelegenheid moet zijn tot sport en ontspanning. Maar de normen zijn laag. Een gevangenisdirecteur die ze niet haalt, doet zijn werk wel erg slecht. Alles wat geld kost, is uit die wet geschrapt. Zoals het principe van één cel voor één man.

„Die wet is een inhaalbeweging. Toen ik criminologie studeerde, was Nederland een voorbeeldland. Daar werden de basisrechten van gedetineerden al in de jaren zeventig vastgelegd. In Frankrijk ook. We lopen dertig jaar achter. Maar ik ben blij dat er nu iets gebeurt.”

Aquarium

Tijdens de wandeling maakt Dauwe een praatje met een wat oudere gedetineerde. De man houdt van haken. Op de tafel in zijn cel ligt een verzameling zelfgemaakte kleedjes.

„Tsja”, zegt Dauwe even later. „Wat doe je met zo iemand?” Om meteen zelf het antwoord te geven: „Je zorgt dat hij genoeg garen heeft om te haken.”

De man blijkt een ‘geïnterneerde’ te zijn. Geïnterneerden hebben in België een status die vergelijkbaar is met die van tbs’ers in Nederland. Alleen: in België zijn geen tbs-klinieken. Daarom zitten ze in gewone gevangenissen. Hun aantal groeit. „Je ziet overal een verschuiving naar de zware psychiatrische patiënten”, zegt Dauwe. „Die worden afgestoten door de psychiatrie. Dat is hier hetzelfde als in Nederland.”

Een deel van de geïnterneerden zit bij elkaar op één verdieping. Enkelen van hen zijn aan het eten in een gemeenschappelijke ruimte. Er staat een tv en een aquarium. Er is ook een gemeenschappelijke slaapzaal voor tien man. „Daar hoop ik volgend jaar rond deze tijd van af te zijn”, zegt Dauwe.

‘Patiënten’ noemt hij deze mensen. Maar waaruit bestaat de zorg? „Er is een psychiater voor vier uur in de week”, antwoordt Dauwe. „Gelukkig werkt die wat langer.” Later dit jaar zal de zorg worden verbeterd. Dan komen er een creatief therapeut, een ‘opvoeder’, en een fysiotherapeut bij.

Paul Dauwe heeft nogal wat kritiek op justitie. De Hulpgevangenis Leuven, zegt hij, is in 1865 gebouwd voor 130 gedetineerden. Het zijn er nu 180 tot 200. Later dit jaar zouden het er wel eens 230 kunnen zijn, denkt hij.

Toch wekt hij absoluut niet de indruk een somber mens te zijn. En van spanningen in zijn gevangenis is op deze doordeweekse dag niets te merken. De sfeer is eerder gemoedelijk. Als de verslaggever kort na binnenkomst vergeet een deur achter zich te sluiten, vraagt een bewaker beleefd of hij in het vervolg wat beter wil opletten. Lachend: „Anders gaan ze lopen.”

Ontsnappingen zijn er hier nauwelijks geweest. Een paar jaar geleden was er één geïnterneerde die de uitgang vond, een Nederlander. Hij meldde zich in Nederland, waar hij nu in een tbs-kliniek zit.

De man krijgt daar ongetwijfeld meer zorg, zegt Dauwe. Maar hij vindt zeker niet alles beter in Nederland. In Nederland, weet hij, worden gevangenissen nu steeds strenger, bijvoorbeeld als het gaat om bezoekregelingen. „Wij willen juist zo veel mogelijk bezoek”, zegt Dauwe. „Het risico dat er daardoor misschien drugs naar binnen worden gesmokkeld, nemen we voor lief. Hoe meer contact met familie, hoe beter. Onderzoek bewijst dat de kans op recidive daardoor kleiner wordt. Gedetineerden mogen in principe ook zo veel bellen als ze willen.”

Paul Dauwe praat met liefde over zijn vak. Over de mensen die hier werken en, tot op zekere hoogte, ook over de mensen die hier zijn opgesloten. Dat betekent niet dat hij al te hoog gespannen verwachtingen heeft over wat je met de laatste categorie kunt doen. De maatschappij moet niet denken dat er in de gevangenis gezonde burgers worden gemaakt van die mensen, herhaalt hij enkele malen. Maar de maatschappij heeft het volste recht om te straffen, vindt de gevangenisdirecteur. „Wij moeten er hier gewoon het beste van zien te maken.”

Ieder jaar is er in het centrum van Leuven een popfestival, Marktrock. Onder dezelfde noemer is er in de gevangenis dan ook een muziekfeest. Op de binnenplaats wordt een podium geplaatst. Bierfabrikant Inbev stelt een aantal vaten ter beschikking. Alcoholvrij, dat wel. Zo’n bijdrage is belangrijk, vindt Paul Dauwe. „De personen in dat bedrijf die dat beslissen, denken even aan de mensen hier. En de mensen hier zien: we zijn nog niet afgeschreven door de maatschappij.” Om dezelfde reden hangt er ook een bordje in de fitnessruimte. ‘Gesponsord door de Rotary’, staat er op.