De stelling van Klaartje Peters: een democratisch gelegitimeerde provincie is overbodig

Bestuurskundig onderzoeker Klaartje Peters lichtte drie jaar het provinciaal bestuur door. Zij schreef een vernietigend boek. De manier waarop ze zichzelf breed maken heeft iets treurigs, zegt ze tegen Folkert Jensma.

Uw boek ‘Het opgeblazen bestuur’ maakt zodanig korte metten met het provinciale bestuur dat u vast het verwijt krijgt dat u uw oordeel al klaar had voordat u begon.

„Ik weet dat ze er ongelukkig mee zijn. Ik denk zelf dat ik een onweerlegbaar beeld heb geschetst. Als je daar gaat kijken – het is echt vreselijk. Ik kwam op de provinciehuizen als beleidsadviseur. Tot die tijd had ik er geen gedachte aan gewijd. Maar ik schrok meteen.’’

Wat trof u vooral?

„Het zat in alles wat daar te veel is. Te veel tijd, te veel geld, te veel mensen. Dat is misschien bij elke overheid het geval, maar ik heb goede redenen om te denken dat het bij de provincie erger is. Ik kwam om beleid te evalueren. Dan zaten er zeven mensen voor je die om de beurt uitlegden hoe nuttig het is dat de provincie in vier jaar tijd vijftigduizend euro besteedt aan het stimuleren van zorgboerderijen. Daar kun je nog geen schuur voor bouwen.

Dat zie je iedere keer terug. Op allerlei terreinen waar ze niet over gaan, kopen ze zich in door daar geld tegen aan te zetten. Armoedebeleid bijvoorbeeld. Of grotestedenbeleid. Of jeugdzorg. Of daklozenbeleid. Juist omdat ze zo onder vuur liggen, willen ze graag laten zien dat ze het goed menen.

Ik ken een provincie die zich bezighoudt met afvalverwerking in een Afrikaans land. Dan gaan ze daar dus laten zien hoe je afval het beste kunt verwerken. En die komen dan ook hier op kosten van de provincie.’’

De provincie Noord-Holland geeft jaarlijks 453.800 euro aan ontwikkelingsprojecten in Ethiopië, op de Filippijnen, in Ghana, Indonesië, Jamaica, Kenia, Macedonië, Nicaragua, Suriname, Zambia, Zimbabwe en Zuid-Afrika. De provincies Drenthe en Utrecht steunen samen Sumatra. Waarom doet het Rijk daar niets aan?

„Deze manier van jezelf breed maken heeft iets treurigs. Het werkt soms ook op de lachspieren. Er is een grote gevoeligheid over de verhouding met het Rijk. Je mag ze niet beledigen door ze bijvoorbeeld lagere overheden te noemen. Dat moet ‘andere overheden’ zijn. Provincies worden van oudsher door het ministerie van Binnenlandse Zaken beschermd. Ook financieel. Het provinciefonds is onaanraakbaar. Dat deint tot op de millimeter nauwkeurig mee met de uitgaven van het Rijk. Je moet als minister een enorme lomperd zijn om daar doorheen te fietsen. Tegelijk voelen provinciebestuurders haarfijn aan dat ze democratisch en maatschappelijk zwak staan.

„Men concurreert inhoudelijk met andere bestuurslagen. Vaak zijn er slechte verhoudingen. Provinciebestuurders maken zich vooral zorgen over de burger. Er komt maar 40, 45 procent stemmen en dan toch vooral omdat de Eerste Kamer er van afhangt.

Bij een debat zeiden provinciale lijsttrekkers me nog dat de kiezers met hen ‘afrekenen’. Dat geloof je toch zelf niet! Niemand heeft enig idee wat ze doen met de stem die je ooit gaf. Het is een niet functionerende, holle democratie. Dat weten ze heel goed en daar zitten ze mee in hun maag. Dat is de oorzaak.”

U spreekt van een ‘opgeblazen bestuur’ dat zich te buiten gaat aan reclame voor zichzelf.

„Er gaan vele miljoenen naar wat ‘corporate communication’ heet. Dat is propaganda. Alleen Brabant gaf er in 2006 al 3,7 miljoen euro aan uit. Ik heb in de archieven nagezocht dat het in 1999 om een paar ton ging, in guldens, voor alle provincies samen. Provincies als Drenthe en Zeeland gaven toen niks uit. In de loop van de jaren ’90 is reclame in de mode geraakt. Aanvankelijk als middel om de opkomst bij de verkiezingen te vergroten. Toen de opkomstpercentages daalden tot onder de vijftig zijn ze in paniek geraakt. Die verkiezingspromotie is structureel geworden.

In die provinciehuizen zie je overal stapels glanzende brochures liggen. Voor wie worden die eigenlijk gemaakt? Er zitten soms ook dure boeken bij, met dikke kaften. Ik vind dat raar. Als je dan aan zorgboerderijen wilt doen, besteed dan niet nog eens hetzelfde bedrag aan het verkopen van je idee.”

Welk voorbeeld van provinciale overbodigheid vond u eigenlijk het duidelijkst?

„Dat was hun grotestedenbeleid. Dat vond ik echt beschamend. Dat gebeurde in de slipstream van Van Boxtel, die een aantal jaren enthousiasme wist los te maken. Toen dachten de provincies, dat gaan wij ook doen. Maar dan met minder geld en zonder bevoegdheden en met eigen doelstellingen. Dan werd er bijvoorbeeld in Limburg vanuit de provincie in vier jaar vijftien miljoen euro naar de drie middelgrote steden toe gesluisd. En die schamele vijf miljoen moesten die steden dan weer helemaal gaan verantwoorden.

Lachwekkend was het daklozenproject in Gelderland. Daar wilden ze het aantal daklozen tot nul reduceren in vier jaar. Goed bedoeld, maar onhaalbaar en onzinnig. Daklozenzorg doen gemeenten. Die weten waar, hoe en wat het kost. Maar nee, de provincie organiseert projecten, een tournee, een campagne met glimmende boekjes om de ‘beeldvorming over daklozen positief te beïnvloeden’. Dan ontdekken ze dus in jaar twee of drie dat niemand enig idee heeft hoeveel daklozen er eigenlijk in Gelderland zijn. En dat is dan weer de schuld van de gemeenten die geen goed monitoringsysteem hebben.

Ten slotte is er een enorme conferentie, een soort jubelmoment. Dan lees je in het verslag op de provinciesite dat het aantal daklozen niet is afgenomen, maar vermoedelijk toegenomen. Dat wijten ze dan aan de aanzuigende werking! En er zijn nog steeds Gelderse gemeenten die zeggen dat ze een tekort aan opvangplaatsen hebben. Ben ik dan een calvinist dat ik dat erg vind? Dat project kostte een miljoen. Een opvangplaats in een gemeente 35.000 euro. Had het daar dan aan uitgegeven.”

U suggereert om op te houden met verkiezingen en na te denken over de mogelijkheid om er een decentrale rijksdienst van te maken.

„Dat is de logische uitkomst van mijn redenering. Laten we het er maar eens over hebben. Er zijn nu nog 764 statenleden. Straks nog zo’n 560 of zo, als gevolg van de wetswijziging. Die nieuwe bestuurders ontdekken dan in de komende vier jaar dat de burger helemaal niet geïnformeerd wil worden. Die krijgen daar elke vier jaar buikpijn van. En dan krijg je zo’n daklozenproject. Of armoedebeleid. Goed bedoeld natuurlijk. Alleen, ze slagen meestal niet. Daar zit de angel.”

Uw stelling is ‘een democratisch gelegitimeerde provincie is overbodig’.

„Ja, dat denk ik. De politieke kop er afhakken. Hoewel het ook denkbaar is dat een provincie rustig als kip zonder kop door rent en zich breder blijft maken omdat jezelf profileren een algemene menselijke eigenschap is en dus ook in ambtenaren zit. Inhoudelijk heb ik alleen een vraagteken bij de ruimtelijke ordening. Die tegenstelling kan gepolitiseerd worden. En daar zijn ook voorbeelden van. Dan zitten de tribunes vol.”

Daar beroemen provincie zich ook altijd op. De rol van lokale bemiddelaar, knopendoorhakker, coördinator? Daar hoort de burger inspraak te hebben.

„Alleen kan niemand mij voorbeelden noemen van kwesties waarin een provincie ooit een knoop echt doorhakte. Zijn de bestuurders in staat om die tegenstellingen ook te politiseren? Of heeft de provincie uiteindelijk toch niet de macht om de zaken te regelen? Waarom is de provincie er niet in geslaagd om te verhinderen dat we overal in Nederland halflege bedrijventerreinen hebben? Elke gemeente bouwt nieuwe, terwijl de oude niet vol zitten.

Kijk naar het Groene Hart. Dat loopt vol waar je bijstaat. Die gemeentelijke plannen zouden toch door de provincie moeten worden gecontroleerd. Maar zodra een gemeente zegt, we bouwen toch, dan ontstaat er kennelijk weer een onderhandelingssituatie. Dan gaat zo’n provincie door de knieën. Wat er nu met die contracten met busvervoer aan het gebeuren is, in het noorden, in Brabant, dat komt me bekend voor. De bestuurskracht is onvoldoende.”

Waarom gaat het publieke debat hier nooit over?

„We hebben allemaal andere en betere dingen te doen. Er wordt al van oudsher gemopperd op de provincie, altijd gekoppeld aan de eeuwige schaaldiscussie. Vreselijk saai ook, die discussie over stadsprovincies, landsdelen, gewesten, superprovincies.

„Wordt het beter als de schaal groter wordt of kleiner? Nee natuurlijk. Wat ze feitelijk doen met ons belastinggeld, daar zouden we eens naar moeten kijken. En als we echt vinden dat dat niet goed gaat, dan moeten we de link met de Eerste Kamer doorknippen zodat je kan zien wat er overblijft aan feitelijke opkomst.”

Dat gaat niet gebeuren.

„Nee. Een formatie is een kans om dat op te lossen. Maar het CDA is een echte bestuurderspartij die heel sterk wortelt in de provincie. De PvdA heeft met de gedachte gespeeld, maar die weer losgelaten. Misschien moeten we daar toch weer een paars kabinet voor hebben.”