De reuzenstrijd tegen ‘leugenproza’ – of hoe een werkelijk Hollandse esprit had kunnen zijn

In de discussie over religie biedt Multatuli veel uitstekende startpunten – voor de niet-gelovige. Een is drie, drie is een, en een brievenbesteller is niemandal.

Rudy Kousbroek

Oud-redacteur van NRC Handelsblad. Auteur van onder meer ‘Anathema’s’ (essays, sinds 1969), ‘Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam’ (1981), ‘De logologische ruimte’ (opstellen over taal, 1984), ‘Einsteins poppenhuis’ (1990), ‘Varkensliedjes’ (1993), ‘Verborgen verwantschappen’ (2005).

Een tijd geleden las ik in een pamflet getiteld Straw Dogs: Thoughts on Humans and Other Animals, van John Gray (Granta Books, London 2002), en kwam daarin de volgende passage tegen:

„Boeddha beloofde verlossing uit iets dat we allemaal begrijpen: het menselijk lijden op aarde. Het christendom daarentegen belooft verlossing uit iets dat niemand begrijpt: de erfzonde. Niemand die kan uitleggen wat de oerzonde van de mensheid was, en nog minder is er iemand die duidelijk kan maken hoe en waarom het lijden van Christus ons daaruit kan verlossen.”

Zonder geloof in de erfzonde, zegt Gray, heeft de christelijke belofte van verlossing geen betekenis. Als we geen zondaars zijn hoeven we ook niet verlost te worden. En hij citeert dan een strofe van J.L. Borges over Christus aan het kruis:

„Night has fallen. He has died now.

A fly crawls over the still flesh.

Of what use is it to me that this man has suffered,

If I am suffering now?”

[Het is wat donker geworden. Hij is nu dood.

Over het stille vlees kruipt een vlieg.

Wat kan het mij baten dat die man geleden heeft als ik nu lijd?] [vert. Robert Lemm]

Dit citaat – en trouwens deze hele ontboezeming van John Gray – riep bij mij meteen levendige associaties op, het deed me ergens aan denken. Aan wat? Aan wie? Aan iemand die dat ook had kunnen schrijven, of iets soortgelijks, met dezelfde ironie, met dezelfde geveinsde onschuld – en ook iets van dezelfde verongelijktheid. Het zou van Multatuli kunnen zijn – een onbekend fragment uit Woutertje Pieterse, een vergeten passage uit de Ideeën. Het is werkelijk waar dat ik bij het lezen van die passage allerlei associaties had met Woutertje Pieterse. Bijvoorbeeld de dialoog uit Idee nummer zoveel – 512, om precies te zijn:

„Wil je dat ik je ’t geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in de hemel.

Nu, dat wilde Wouter wel. En Femke begon:

God schiep de wereld...

Wat deed hy vóór dien tijd, Femke?”

Dat is een voorbeeld van zo’n zelfde quasi-onschuldige vraag – en er zijn er nog veel meer zo, ook passages die een directe betrekking hebben op het onderwerp van dat citaat, dat wil zeggen de duistere aard van de erfzonde en de onbegrijpelijkheid van het lijden van Christus aan het kruis als remedie daartegen. Dat thema komt ook voor in Idee 182, in de gedaante van de vrome Agatha die zich over niets in het geloof verwondert:

„Agatha vroeg niet naar ’t verband tusschen hààr zonden en Adams val: zy geloofde. Niet over de wyze der verlossing door ’t bloed des kruises: zy geloofde... Noch of ’t plezierig was voor de Kananieten, zoo maar altyd-door te worden uitgeroeid...” Zo zijn er meer vromen die niet bestand zyn tegen de minste smart, maar heel kalm aanzien hoe Gods uitverkoren volk huishoudt met de arme drommels die schuldig waren aan onuitverkorenheid..”

Multatuli schrijft in dat verband ook over nog zo’n mysterie van het christelijke geloof, dat ook wel in andere religies wordt gevonden, en dat is het ‘dienen’ van God. Waar bestaat dat uit? Waar heb je, als je een god bent, dat dienen trouwens voor nodig? In Idee 415 vinden wij hierover:

„om niet te blyven hangen aan een woord, wil ik dat ‘dienen’ wel aannemen in de zin van: hem aangenaam zyn, zyn wil doen. De vraag is dus: wat is zyn wil? Niemand weet het, en zy die beweren het te weten, zyn ’t onderling niet eens.”

Kortom, een onderdeel van het bekende theologische voorschrift dat de mens proberen moet om God te begrijpen. Multatuli schrijft er over in Idee 1118. Wouter en Femke hebben het daar over het uitroeien van het kwaad in de wereld, en Multatuli komt als vanzelf tot een conclusie die bijna honderd jaar later weer opnieuw zal worden uitgevonden door Boris Vian: ‘et on tuera tous les affreux’. In de woorden van Wouter:

„We zouden samen alles uitroeien wat verkeerd is en de mensen dwingen om goed te zijn en nooit iets te zeggen wat niet precies waar is...

Waarom zorgt God er niet voor dat ze de waarheid zeggen? Vraag ’t eens aan pater Jansen. Maar myn... dominee – onze paters heeten dominee, weet je! –

mijn dominee gaf me nooit ’n antwoord dat ik begrypen kon.

Weet je wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar... we begrypen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z’n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou hem wel begrypen! En jy zeker ook?

Vind jy ’t mooi van God dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: hy is almachtig en kon dus heel eenvoudig...

Kyk, de zaak zit zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar zy begrip en er is begrip!”

Alleen al om dit soort humor is Multatuli wat mij betreft een van onze grote schrijvers. Tweeduizend jaar christendom, met hele drommen van eerbiedwaardige theologische denkers en kerkvaders, maar niemand die ooit eerder deze lapidaire en voordehandliggende tegenwerping heeft durven maken, van een kernachtigheid die niet onderdoet voor de uitspraak waar Blaise Pascal veel beroemder mee is geworden (ik bedoel de bekende gok op het eeuwige leven).

Vanwaar dat verschil in waardering? Tja, zulke uitspraken worden in de theologische praktijk nu eenmaal niet beoordeeld op waarheid en oorspronkelijkheid, maar op iets dat ‘zedelijk gehalte’ wordt genoemd, dat wil zeggen een positieve instelling jegens het geloof. Het merkwaardige is dat eenzelfde argument positief of negatief kan worden beoordeeld naargelang het in dienst staat van het geloof of het ongeloof. W.F. Hermans heeft eens gezegd: als de atheïsten in plaats van de gelovigen verantwoordelijk waren voor het klokgelui op zondag zouden er protesten komen wegens geluidsoverlast. Omgekeerd is alles bruikbaar als argument. Multatuli schreef, in Idee 102:

„Sirius is zooveel mylen ver, dus: God is groot.

Den volgenden dag blykt er: Dat Sirius één myl verder staat! God is ’n myl grooter.”

Je kunt er alle kanten mee op, het is altijd goed; God hoeft zich niet in te spannen. Dat is een curieus aspect van de almacht waar Multatuli zich aan heeft geërgerd. Zo spreekt hij in Idee 361 God aan over zijn nietsdoen:

„Ge zoudt uw armen niet zoo vadsig kruisen, als ging ’t heelal, uw maaksel, u niet aan?” (En dan, verongelijkt:)

„Ik werk, en sloof en tob, met weinig kracht, en in uw traagheid ligt ’n Almacht braak! Dat is toch jammer van zo’n almacht, vindt ge niet?”

Multatuli’s Ideeën over het geloof hebben soms zwakke plekken. Dat is voor een deel het gevolg van de positie van iemand die niet gelooft, in een wereld van gelovigen. Ook daar heeft de al meer geciteerde John Gray de aandacht op gevestigd, zoals Unbelief is a move in a game whose rules are set by believers – Niet geloven is zetten doen in een spel waarvan de regels worden bepaald door de gelovigen.

„Atheism”, zo luidt een andere uitspraak van John Gray, „is a late bloom of the Christian passion for truth” – een verlate bloei van de christelijke toewijding aan de waarheid. Vooral dit geeft inzicht in Multatuli’s opvattingen. Au fond heeft hij meer het temperament van een gelovige dan hij toe wil geven en daardoor schieten zijn standpunten soms tekort in strengheid en samenhang.

Maar wat Multatuli boven deze tekortkomingen verheft is zijn humor. Die is van tijd tot tijd werkelijk grandioos; ik denk bijvoorbeeld aan hoe hij afrekent met de zwakzinnige begripswillekeur die gangbaar is in de theologie. Dat is in Idee 413:

„Wat ’n profeet zegt, kan men opnemen als men wil. Een bruid is een kerk, een tempel is ’n lichaam, een vader is ’n zoon, een zoon is ’n geest, een geest is ’n vader, een is drie, drie is een, en een brievenbesteller is niemandal.”

Het is deze humor, die naar mijn overtuiging Woutertje Pieterse een van de toppen van de Nederlandse literatuur maakt. In allerlei andere opzichten is dit boek een opmerkelijke schildering van het Hollandse leven, variërend in kwaliteit, maar wat er zo’n uitzonderlijke dimensie aan geeft is dat humoristische ongeloof, die speelse kritiek op de fundamenten van de christelijke godsdienst. Het is ook daarom dat men de zwakheden en tekortkomingen van Multatuli op de koop toe neemt – want het is waar, hij was megalomaan en had van allerlei dingen waar hij mee schermt een niet meer dan beperkte kennis – maar met betrekking tot het geloof („de theologie, die hysterische beschouwing van dingen die er niet zijn”) had hij een werkelijke esprit, een oorspronkelijkheid die bij niet één andere Nederlandse schrijver wordt gevonden.

Dat is tegelijk de verklaring voor wat ik beschouw als onze nationale ramp, de grote gemiste kans van de Nederlandse cultuur: dat er niet een paar generaties Nederlanders intensief met Multatuli zijn grootgebracht, zoals in de ons omringende landen, waar iedereen die lager en middelbaar onderwijs heeft genoten hele lappen van de eigen literatuur uit het hoofd kent en op afroep kan reciteren.

Maar de tegenkrachten, die Multatuli ook zelf in Woutertje Pieterse aanwijst, hebben het verhinderd. Daarmee is hier in Holland een cultuur van zelfvoldane achterblijvers in het leven geroepen, die doorvreet tot de huidige dag, met een kneus als J. Goedegebuure, neerlandisticus, die het bestaat om in zijn inaugurele rede (‘Het mythische substraat’) dankbaar te getuigen dat Désanne van Brederode nu weer ombekommerd in het openbaar mag bidden.

Zulke dingen komen dan in de plaats van wat anders een werkelijke Hollandse esprit had kunnen zijn, een hachelijk klimaat voor politici van het slag Donner, Balkenende en Rouvoet, die dan op vanzelfsprekende wijze de letters d.z.b.f.w. achter hun naam zouden krijgen – een aanduiding uit Woutertje Pieterse die nu in Nederland door weinigen meer wordt begrepen.

Nou ja, ik idealiseer, dat weet ik ook wel, maar wat in Holland werkelijk ontbreekt is een cultuur van spot, van ironie, van de pesterige logica van Multatuli.

Maar nu het wonderlijke: er is recentelijk bij ons (en niet alleen bij ons) een religieuze revival op gang gekomen. Een vloed van reportages, artikelen en officiële rapporten daarover heeft zich over de media uitgestort. In veel gevallen wordt er naar verwezen als een soort natuurverschijnsel, en soms klinkt er een merkwaardige toon van rechtvaardiging in door, als van gerehabiliteerde pedofielen die nu eindelijk weer voor hun verboden neigingen mogen uitkomen, zoals in ‘Het mythische substraat’ van Goedegebuure.

Er wordt gesproken van een ‘herkerstening van Nederland’, en ook wel van ‘een terugkeer van het transcendente’ – wat al een wat betere beschrijving is, want het is niet zozeer herkerstening als wel New Age. Het is de wereld van de Zingeving. So far so good, maar het ongelofelijke feit doet zich nu voor dat dit coïncideert met een boekenweek die officieel gewijd is aan scherts, satire en ironie – ‘zotheid’ zoals het wordt omschreven. Het lijkt wel sprookjesland, want wat valt er in de bus? Reclamefolders waarin schrijvers als (alweer) Désanne van Brederode en Jan Siebelink juist in dat verband gepromoot worden.

Jan Siebelink als vertegenwoordiger van scherts, satire en ironie! Désanne van Brederode als incarnatie van de zotheid! Je zou werkelijk gaan geloven in een hogere macht die dit alles bestiert.

Idee 528: „De reuzenstrijd tegen ’t leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft” – ziedaar wat ik beschouw als de grondslag van Multatuli’s Ideeën in Woutertje Pieterse.

PS: Dat is ook de strekking die ik mis in de bewerking van Ivo de Wijs, waar we het ook nog even over moeten hebben. Ik ben een tegenstander van bewerkingen, maar als Woutertje herdrukt moet worden valt er niet aan te ontkomen; meer dan 500 bladzijden, voor de helft (de tweede helft) onleesbaar; zoals De Wijs schreef: Multatuli heeft ’t er in Woutertje Pieterse bij laten zitten en zijn lezers weggejaagd.

Maar toch legde ik de tekst na een paar pogingen opzij. Deze bewerking heeft ook mij weggejaagd. Het is het hertalen, het klinkt niet als Multatuli, het klinkt als banaliteiten. Ik schrijf dat toe aan een soort doofheid. Bij Ivo de Wijs, of anders misschien bij mij.

Rudy Kousbroek heeft deze Woutertje Pieterse lezing op 1 maart uitgesproken in De Balie in Amsterdam.