De repressie achter de glimlach

Tunesische afgevaardigden zitten in veel organisaties voor mensenrechten. Maar het land kent een systeem van repressie waarmee de Tunesiërs maar beter niet in contact kunnen komen.

„Ze staan er weer, zoals altijd”, zegt Mokhtar Trifi, wijzend op twee heren met een identiek zwart kapsel en donkere zonnebril in een kleine, onopvallende auto dichtbij de poort van het hoofdkwartier van de Tunesische Liga voor de Mensenrechten (LTDH) in Tunis. „Het is puur Kafka: verborgen achter al die vriendelijk lachende gezichten op straat en de toeristische gastvrijheid opereert hier een systeem dat veel weg heeft van een politiestaat – het opereert autoritair, arbitrair en dodelijk repressief.”

„Het laatste dat je als Tunesiër wilt is met het repressieapparaat in contact komen”, zegt Trifi, een zacht en bedachtzaam pratende advocaat van vijftig, met grijze krullen en een blauw maatpak. Hij is voorzitter van de LTDH. De Liga is een van de eerste mensenrechtenorganisaties in de Arabische wereld, in 1977 in het leven geroepen door Bourguiba, de eerste president van het onafhankelijke Tunesië. Maar al snel is de relatie tussen de LTDH en de overheid verzuurd.

Autoritair, maar niet totalitair? „President Ben Ali is geen Big Brother, nee...”, wikt Trifi. „Er bestaat hier wel degelijk een zekere vrijheid. Maar dit is een land waar je alleen vrij mag leven zolang je je buiten de politiek houdt. Het is een vrijheid die je duur betaalt en alleen met behoedzaam leven en in de pas lopen behoudt.”

Het publiek weet dat en de pers ook. De meeste mensen zijn voorzichtig, nemen niemand in vertrouwen. Je weet als je aan een demonstratie deelneemt dat je je nek uitsteekt – dus mensen mobiliseren is hier uiterst moeilijk. „Word je toch opgepakt, dan is het einde zoek: je weet nooit wanneer je weer vrij komt en het is haast zeker dat je mishandeld wordt tijdens het verhoor en later, gedurende jaren in de gevangenis.”

Trifi citeert uit het LTDH-rapport ‘De Muren van de Stilte’ uit 2004 over de levensomstandigheden in de gevangenissen: „In de 9 april-gevangenis in het centrum van Tunis werd Mohammed Ali al-Mansouri gefolterd, hij werd met kettingen opgehangen aan handen en voeten, en na acht uur door zijn beulen aan zijn lot overgelaten. Als gevolg van de foltering moesten zijn beide benen geamputeerd worden. Een van de bewakers verklaarde later dat Mohammed al-Mansouri een behandeling had gekregen die zij in die gevangenis iedere dag verscheidene keren toepasten, op bevel van de directie.”

De reden: een hongerstaking. „Uit ons onderzoek blijkt dat het vooral de politieke gevangenen zijn die een hongerstaking beginnen; criminele gevangenen grijpen eerder naar zelfverminking als uiting van protest binnen de gevangenissen”, vertelt Trifi.

„Bij het ministerie van Justitie en Mensenrechten spreekt men steevast de aanklachten van de LTDH tegen. De meeste politieke arrestaties en veroordelingen worden door het ministerie en magistraten verdraaid en voorgesteld als gewone rechtszaken; het zijn volgens de staat gewone overtreders en misdadigers.

Neem het geval van de mensenrechtenadvocaat Mohammed Abbou, die in 2005 door de geheime politie werd opgepakt en 3,5 jaar kreeg omdat hij op de in Tunesië verboden website Tunisnews de folteringen in de Tunesische gevangenissen vergeleek met wat zich in de beruchte Iraakse Abu Ghraib-gevangenis heeft afgespeeld. Hij werd veroordeeld wegens ‘smaad aan het adres van gerechtelijke dienst’ en omdat hij ‘de intentie had de openbare orde te verstoren’. „Willekeur en schijnprocessen zijn regel”, aldus Trifi.

„Men weigert bij de overheid ook systematisch klachten van arrestanten, hun advocaten of hun familie te onderzoeken”, zegt hij. „Daar is, zo luidt het officiële antwoord, ‘geen enkele reden toe. Jullie zijn allemaal provocateurs en uitschot’.”

Volgens de LTDH zitten er honderden mensen om politieke redenen vast, vooral sympathisanten van de moslimbeweging Ennahda. Vorig jaar kwam de journalist Hamadi Jebali vrij die een recordgevangenisstraf van 15 jaar heeft uitgezeten. Hij was tot 16 jaar veroordeeld omdat hij als hoofdredacteur van Al-Fajr, het inmiddels ter ziele gegane weekblad van Ennahda, had gepleit voor de afschaffing van de militaire rechtbanken.

De Liga en andere mensenrechtenorganisaties worden niet alleen constant in het oog gehouden, de telefoon wordt afgeluisterd, de internetverbinding wordt gesaboteerd en bijeenkomsten worden onmogelijk gemaakt. Christophe Boltanski van de Parijse krant Libération, die in 2005 het relaas van Trifi bracht over de schendingen van de mensenrechten in Tunesië, werd een paar dagen later in een steegje door een paar mannen hard aangepakt. „Er is nooit een onderzoek gekomen – officieel werd hij door ‘onbekenden’ met messteken toegetakeld – maar het was zeker de geheime dienst die hem een les wilde leren als een waarschuwing aan zijn collega’s; Libé hoef je sindsdien niet meer te zoeken in de kiosken op de Avenue Bourguiba”, besluit Trifi.

Volgens Amnesty International is Tunesië de kampioen van de ‘mensenrechtenbureaucratie’: afgevaardigden zitten in een recordaantal internationale commissies. Maar wie zich binnen Tunesië op politiek terrein manifesteert, komt onvermijdelijk in contact met het repressieve staatsapparaat. En dat geldt zeker voor wie zich met de schendingen van de mensenrechten bezighoudt.

Later wordt Trifi opgebeld door de vrouw van Mohammed Abou, die bij haar man in de Kef-gevangenis op bezoek is geweest. Hij luistert, reageert verontwaardigd, met groeiend ongeloof. „Mevrouw Abou was vergezeld van haar zoontje. Ze moest haar handtas en mobiel afgeven en werd nog maar eens helemaal afgetast... Uiteraard mocht ook haar zoontje zijn vader niet omarmen. Ze vertelt dat ze ook zijn boeken hebben afgenomen nadat hij bij de rechter een klacht had ingediend over zijn behandeling in de uit 1906 stammende gevangenis, en dat de politie de jongen nu ook op school lastigvalt; ze hebben al zijn schriften meegenomen. Door vernedering en geweld bij de opposanten en activisten de wil tot dissentie breken, daar is het hen om te doen.”