Ziende blind

Jacq Vogelaar is een van de beste experimentele schrijvers van Nederland. Deze maand krijgt hij de Constantijn Huygensprijs. Zijn marxistisch illusionisme heeft hij afgeschud, maar op de werkelijkheid van de Goelag krijgt hij nog steeds geen greep.

Jacq Vogelaar heeft de Constantijn Huygens-prijs gekregen voor zijn hele oeuvre, maar zijn grote essay Over kampliteratuur van vorig jaar is vast

een krachtig argument geweest voor de bekroning. Zulke essays verschijnen er niet veel in ons land, en dan nog wel over zo’n ongemakkelijk onderwerp. Vogelaar heeft de zaken bovendien eigenzinnig aangepakt. En anders dan men misschien bij de naam Vogelaar zou verwachten, wil dat niet zeggen dat het essay een kwelling is om te lezen, integendeel, het is eerder meeslepend te noemen, ik kon het tenminste moeilijk wegleggen. Zelden lees je iemand die zo vol is van zijn onderwerp en bij wie de bezetenheid (geen overdreven woord in dit verband) zo besmettelijk uitpakt.

Over kampliteratuur is allesbehalve een academische studie, je krijgt zelfs de indruk dat dit ‘leesverslag’ met zijn opeenhoping van hoofdstukken, ‘coda’s’ en ‘excursies’ de auteur enigszins boven het hoofd is gegroeid – en dat hij dat expres zo gelaten heeft. Wat dit aangaat heeft het essay wel iets van Vogelaars grootste roman Raadsels van het rund (1978), een boek dat ook bijna uit zijn voegen barst. Maar terwijl ik in de roman al gauw het spoor bijster raakte, had ik in het essay geen enkel probleem om het onderwerp vast te houden, ook al waarschuwt Vogelaar dat het in de kampliteratuur, zoals in alle goede literatuur, minder belangrijk is waar het over gaat, dan waar het om gaat. ‘Wat staat er op het spel, wat is de inzet?’– dat zou een lezer zich moeten afvragen.

Een zinnig uitgangspunt, dat ook iets kan verhelderen over Vogelaars eigen schrijverschap. Met recht geldt hij als een van de beste experimentele schrijvers in ons taalgebied, zo niet de beste. Dat velen zijn werk ‘onleesbaar’ vinden, lijkt me niet in strijd met die reputatie. De laatste decennia is daar echter verandering in gekomen, iets wat door deze bekroning wordt onderstreept.

Raadsels van het rund bijvoorbeeld is mede zo ontoegankelijk doordat het boek allerlei soorten tekst door elkaar bevat. Daar zitten ook veel ‘essayistisch’ te noemen passages bij, in feite bewerkingen van andermans proza die nauwelijks zijn thuis te brengen, tenzij je er een inspirerende gids als Anthony Mertens’ Sluiproutes & dwaalwegen (1991) op naslaat. Zelfs dan verdwaal je voortdurend, wat ongetwijfeld ook de bedoeling is. Maar Vogelaar vond één tweede Finnegans Wake blijkbaar genoeg. Sindsdien is hij namelijk conventionele, buitengewoon knappe en erudiete essays gaan schrijven, die gewoon apart worden uitgegeven. Daar zijn zijn romans een stuk overzichtelijker van geworden, getuige De dood als meisje van acht (1991), wat mij betreft Vogelaars mooiste: op allerlei manieren verbonden met het voorafgaande oeuvre (de schrijver heeft zich niet verloochend), maar toch heel goed op zichzelf te lezen als een herkenbaar verhaal dat wordt verteld met een onweerstaanbare verbale uitbundigheid.

Een andere verdwenen barrière is het marxisme van weleer. Net als de malle spelling (‘sjofeur’ in plaats van chauffeur) en net als zo’n gratuite oproep aan de lezer (in Het heeft geen naam uit 1968) om het boek te stelen omdat 40 procent van de prijs naar de boekhandelaar gaat, heeft het marxisme Vogelaar geen goed gedaan. Een bundel als Konfrontaties, Kritieken en Kommentaren (1974) kun je maar beter niet herlezen, want zo’n strafexpeditie tegen nagenoeg de hele Nederlandse literatuur van die dagen (van Hermans tot Biesheuvel en van Mulisch tot Krol) doet nog altijd pijn aan de ogen. Elke literaire sensibiliteit bleek te zijn opgeofferd aan het politieke dogma, dat bij Vogelaar tegelijk het eigen literaire programma inspireerde, met dank aan Marx, Engels, Benjamin, Brecht, Adorno, Barthes, Foucault – namen die duidelijk maken dat Vogelaar er indertijd wél een hoogst sophisticated marxisme op na hield, onorthodox en wars van primitieve tendens-literatuur of socialistisch-realisme.

Het politieke engagement zocht hij allereerst, om met Roland Barthes te spreken, in de écriture oftewel de schrijfwijze, niet in het beleden standpunt of het onderwerp. Die schrijfwijze moest ontregelen en daardoor bewustmaken. Of zoals het onnavolgbaar wordt verwoord in Oriëntaties, een tweede bundel ‘Kritieken en Kommentaren’ uit 1983: ‘Als overschrijding van normerende grenzen van taal en bewustzijn, als deviant taalgebruik markeert ze (het gaat over de literatuur die Vogelaar voorstaat) de grenzen van de ,,normale’’ kommunikatie en geeft ze stem aan alles wat er aan wensen, beelden, herinneringen, ervaringen, gevoelens en vermogens onderdrukt wordt ter wille van de ongestoorde prolongatie van de gevestigde maatschappijordening, die zich legitimeert door een vermeend samenhangend wereldbeeld.’

In Oriëntaties bespreekt Vogelaar overigens vooral auteurs die hij bewondert, en dan blijkt opeens dat hij niet alleen kribbig en venijnig, maar ook heel stimulerend en geestdriftig uit de hoek kan komen. Bij hem ging de – in 1983 vermoedelijk al enigszins getemperde – ideologische dogmatiek gepaard met een waarachtige passie voor literatuur. Tegenwoordig bezit die passie, naar het zich laat aanzien, het alleenrecht. Vogelaar heeft er zijn literaire credo nauwelijks voor hoeven aan te passen. Alleen de connectie met de ‘progressieve arbeidersbeweging’ is verdwenen (evenals die arbeidersbeweging zelf), en tja, wat is er dan eigenlijk tegen om literatuur te zien als een bijzondere vorm van taalgebruik die verstarde conventies openbreekt en de woorden weer in beweging brengt door hun onvermoede mogelijkheden bloot te leggen?

Je zou literatuur zelfs als een vorm van ‘verzet’ kunnen omschrijven. Dat is in elk geval wat Vogelaar doet, in zijn essaybundel Terugschrijven uit 1987 (‘verzet tegen de sprakeloosheid waartoe men gedoemd wordt door een dode taal die slechts herhaling en namaak toestaat’) en in zijn interpretatie van de kampliteratuur. Wanneer Vogelaar verzet de ‘kern van het kampverhaal’ noemt, en wanneer hij dat verzet vooral zoekt in de manier van schrijven, in de hardnekkige poging van Varlam Sjalamov of Robert Antelme om een eigen taal te ontwikkelen (afwijkend van zowel de taal van de daders als van die van de buitenwereld), komt dat allerminst uit de lucht vallen. Wat hij altijd al van literatuur had verwacht, blijkt hij nu in de betere kampliteratuur terug te vinden.

Vandaar dat de kampverhalen uitdrukkelijk als literatuur worden behandeld. Dat verdienen ze ook, zoals iedere lezer van Sjalamov, Antelme, Levi of Borowski zal beamen. Vogelaar betoont zich een gedreven bewonderaar, die hun teksten minutieus afgraast en in bescherming neemt tegen hem onwelgevallige ethische of antropologische interpretaties van onder anderen Elie Wiesel, Giorgio Agamben en Jan Kott. Met kracht van argumenten laat Vogelaar zien dat zij de teksten waarop zij zich beroepen, slecht hebben gelezen of misschien wel helemaal niet. Moralisme blijkt, zoals wel vaker in de literatuur, een slechte raadgever.

Maar de moraal helemaal buiten de deur houden, dat is uiteraard onmogelijk, zeker bij kampliteratuur. Vogelaar let voornamelijk op de literaire kant van de zaak, hoewel hij weet dat de inzet niet alléén literair is geweest. Wiesels voorstel kampverhalen enkel als ‘getuigenissen’ te behandelen doet de auteurs tekort, maar Vogelaars weigering dit aspect volwaardig in zíjn bespreking op te nemen acht ik niet minder problematisch.

Vooral bij de kampverhalen uit de Sovjet-Unie is dat het geval, aangezien die bijna allemaal werden geschreven en voor een deel gepubliceerd terwijl de kampen, zoals Vogelaar schrijft, ‘nog volop draaiden’. In dit licht klinkt het nogal merkwaardig als hij beweert dat deze kampverhalen destijds allemaal ‘verkeerd’ zijn gelezen, vanwege de ‘politieke bril, hoe ook getint’ – alsof het van geen enkel belang was of men de waarheid van het verhaalde wenste te geloven of niet! Zou het dan geen moment bij Vogelaar zijn opgekomen dat sommige en misschien wel alle auteurs van verhalen over de Russische kampen óók hoopten bij te dragen aan de beëindiging van alle ellende?

Degene die daar vermoedelijk het meest aan heeft bijgedragen is Aleksander Solzjenitzyn geweest, met wie Vogelaar een hoofdstuk lang worstelt, vervuld van afkeer jegens diens conservatieve politieke én literaire opvattingen. Het verleidt hem er zelfs toe te schrijven dat in Solzjenitzyns Goelag Archipel ‘individuele levens in zekere zin net zo gelijkgeschakeld en verpulverd [worden] als door het kamp en het maatschappelijk stelsel waarvan het dwangarbeidssysteem een instrument was’. Dat is niet alleen ‘grof’, zoals Vogelaar zelf toegeeft, het is ook een infame omkering van de reële verhoudingen, waarbij je mag hopen dat die alleen door literaire passie is ingegeven.

In het hoofdstuk over Solzjenitzyn gaat wel meer mis, zoals bij het bizarre verwijt dat Solzjenitzyn zijn grote boek in zijn eentje heeft geschreven, terwijl teamwork beter was geweest. In het nawoord betreurt Solzjenitzyn dit zelf en schrijft dan: ‘Maar daar was het de tijd nog niet voor’ – een eufemistische verwijzing, zou ik zeggen, naar de overheidsterreur die zo’n collectieve onderneming in de Sovjet-Unie per definitie onmogelijk maakte, terwijl Vogelaar op de proppen komt met voorbeelden van enkele – destijds vast niet vrij te lezen – buitenlandse boeken en auteurs die hem uit de brand hadden kunnen helpen.

Toch weet Vogelaar, zij het zuinigjes, nog wel iets aan Solzjenitzyn te prijzen: zijn miniaturen (‘Solzjenitzyn kan soms heel veel in het klein’) en zijn humor. Maar zijn grootste verdienste, namelijk dat dankzij De Goelag Archipel zelfs de meest obstinate westerse communisten de realiteit van de Russische kampen onder ogen moesten zien, tracht Vogelaar hem af te pakken, door erop te wijzen dat iedereen het allang had kunnen weten. Dat is volkomen waar, maar daar gaat het niet om, het punt is dat zovelen het niet wilden weten of hun mond hielden – totdat Solzjenitzyn dat onmogelijk maakte.

Naar aanleiding van het Franse proces-Rousset uit 1950 (over de vergelijkbaarheid van de Duitse en de Russische kampen) vraagt Vogelaar zich af hoe de ‘blindheid’ of ‘verblinding’ van de communisten die van geen kwaad wilden weten heeft kunnen ontstaan, om daar meteen bij te zeggen dat het een vraag is ‘waarvan je weet dat er nooit een afdoend antwoord op zal komen’. Dat nu lijkt me te somber ingeschat, want het antwoord ligt voor de hand. Even afgezien van opportunisme en ander eigenbelang, moet die blindheid zijn voortgekomen uit idealisme, uit het geloof in een betere wereld dankzij het marxisme-leninisme.

Het verbaast me dat Vogelaar het zelf niet heeft bedacht, maar misschien komt dat omdat hij nog steeds in een betere wereld gelooft. Dat zou ook zijn nijdige uitvallen verklaren naar alle ‘cynici’ die op grond van de kampverhalen concluderen dat er eigenlijk geen verschil bestaat tussen daders en slachtoffers en dat iedereen, onder extreme omstandigheden, tot alles in staat moet worden geacht. Vogelaar vat het samen als het cliché van de beschaving als niet meer dan een laagje ‘vernis’. Volgens hem zit ‘een en ander domweg wat ingewikkelder in elkaar’.

Een waar woord, maar waarom beperkt hij zich dan tot het bestrijden – tot vervelens toe – van alleen het cliché? Dat maakt de bestrijding even oppervlakkig en clichématig. Waarom is hij niet op de zaak ingegaan, als die hem kennelijk zo dwars zit? Bijvoorbeeld door het eens van de andere kant te bekijken, die van de daders, bij wie de ‘beschaving’ het op heel wat schokkender wijze heeft laten afweten dan bij (een aantal van) de slachtoffers. Het is niet voldoende die daders af te doen als een ‘stelletje heikneuters in uniform’. Dat mag kloppen voor de bewakers in Treblinka (over wie Vogelaar het schrijft), het grotere geheel waarvan zij deel uitmaakten zat – technisch en ideologisch – toch wel wat ingewikkelder in elkaar.

Juist van Vogelaar, wat het marxistisch illusionisme betreft toch een ervaringsdeskundige, had ik op dit punt meer distantie en reflectie verwacht, de twee kwaliteiten die hij niet ten onrechte zo bewondert bij de beste schrijvers van kampliteratuur.