Zen tussen de koeien

Jan Mankes was een buitenstaander in het kunstenaarsmilieu van begin vorige eeuw. Met twee grote exposities lijkt nu sprake van herwaardering van zijn schilderijen. „Hij nam je mee in een wereld waar alles harmonisch is.”

‘Als ik het bij de achterdeur niet vind”, zei de Friese schilder Sjoerd de Vries eens, „dan vind ik het nergens.” De vroegtwintigste-eeuwse schilder Jan Mankes (1889-1920), aan wie op dit moment twee tentoonstellingen worden gewijd, had het hem waarschijnlijk nagezegd. Sommige kunstenaars gaan op reis naar verre oorden, Mankes ging op reis in zijn eigen tuin in de Knijpe bij Heerenveen. Daar viel altijd wel iets te bewonderen: kraaien, lijsters, eenden, muizen, egels. En keerde hij toch een keer met lege handen huiswaarts, dan was er nog zijn mecenas, de Haagse sigarenhandelaar Pauwels, die hem voorzag van olieflesjes, een goudleren kamerscherm, een reigerschedeltje, een geit of een kerkuil.

Aan de achterzijde van zijn ouderlijk huis had Mankes een atelier ingericht, waar hij de spullen en beesten bestudeerde en naschilderde. Een snelle werker was hij niet. Aan één schilderijtje – Mankes’ schilderijen zijn zelden hoger dan vijftig centimeter – schaafde hij eindeloos. Laag op laag en dan weer afslijpen met puimsteen. Aan zijn mecenas schreef hij: „Ik wil een doekje zoo bewerken tot het een stukje ziel wordt.”

Het trage werkproces beïnvloedde zijn productiviteit allerminst: in de tien jaar die hij als schilder actief was schiep hij een oeuvre van circa tweehonderd schilderijen, honderdnegentig tekeningen en vijfendertig etsen. Langzaam vormde zich de typische Mankes stijl: dromerig, breekbaar, ijl, soms een tikkeltje sentimenteel. Dat hij een autodidact was, en afgezien van een blauwe maandag op het glasschildersatelier en een paar avondlessen aan de Haagse tekenacademie nooit een opleiding had genoten, laat zich nergens terugzien.

Vooral in zelfportretten blonk Mankes uit. Het zijn welgevormde koppen in gedempte grijs-, bruin- en rozetinten, die ons een aardig kijkje geven in de psyche van de kunstenaar. Op het ongerepte Zelfportret met uil (1911) zien we een jonge man met een zwarte kunstenaarsdas, die ons onder geloken oogleden trots aankijkt. Hoe anders is Zelfportret (1915). De ogen staan kwetsbaar, de teint is tuberculeus, de wangen ingevallen, de huid haast doorschijnend. Weg is de jeugdige overmoed, de artistieke pose. Hier is iemand afgebeeld die zich volledig van zijn sterfelijkheid bewust lijkt. En niet zonder reden: vijf jaar later stierf de kunstenaar aan tbc.

Door zijn verstilde schilderijen en zwakke gezondheid was Mankes al bij leven een mythe. Kunstcritici beschreven hem als een broze buitenstaander, een ascetische persoonlijkheid die zich had teruggetrokken op het Friese platteland. Zen tussen de koeien, zoiets. Het was een sterk geromantiseerd beeld. Mankes was scherper, vileiner en beter geïnformeerd dan menig criticus kon bevroeden. En wereldvreemd was hij al helemaal niet. Hij spelde de kranten en weekbladen, en reisde regelmatig naar Den Haag en Amsterdam om tentoonstellingen te bezoeken.

Wat hij zag beviel

hem vaak maar matig. Karskens kon niet tekenen en was houterig; Van Dongen maakte ‘grievelig werk’; de namen van de exposanten bij kunstenaarsvereniging Pulchri kwamen hem voor als ‘smeulende vetpitjes’; en de kubisten en Cezanisten, die moesten maar even ‘in hun vetje gaar [...] koken.’ Zulke uitspraken wekken de indruk van een miskend genie, maar niets was minder waar. Mankes was een gerespecteerd kunstenaar over wie werd geschreven in dag- en weekbladen, die regelmatig exposeerde (zelfs op een internationale tentoonstelling) en die een vaste kring van kopers had.

In de jaren vijftig raakte zijn reputatie in het slop. Cobra en totale abstractie kwamen in de mode en Mankes gold opeens als ouderwets. De Telegraaf sprak smalend van ‘judaspenning-mystiek’. Het maakte Mankes niet alleen een ondergewaardeerde, maar ook een betaalbare kunstenaar. Op veilingen ging zijn werk voor een paar duizend gulden van de hand. Auke van der Werff, oud-veilingmeester bij Sotheby’s en eigenaar van een kunstbemiddelingsbureau, kocht in de jaren zeventig drie werken van Beint Mankes, de zoon van Jan: „Dat kostte me toen drieduizend gulden. Uiteindelijk bezat ik tien schilderijen van Mankes. Later verkocht ik die werken aan het Gemeentemuseum in Arnhem voor acht- en twaalfduizend gulden per stuk.”

Ook Henk Helmantel, schilder van realistische stillevens en kerkinterieurs kocht rond die tijd twee schilderijen van Jan Mankes, een vleermuisje uit 1909 en een vogelnestje uit 1911: „Ik bekeek dat vleermuisje eens, bekeek het nog eens, liet het uit de vitrine halen. Frank Buunk, de kunsthandelaar, sloeg dat gade. Hij zegt tegen zijn schoonvader: ‘Wat moet die man toch met dat vleermuisje?’ Die antwoordde: ‘Je bent nu nog te jong om dat in te zien, maar later zul je het begrijpen.’ En dat gebeurde. Tegenwoordig is Buunk er zeer tuk op om iets van Mankes in de verkoop te hebben.” Hoeveel Helmantel precies voor de schilderijen betaalde houdt hij liever voor zich: „Ik kan alleen zeggen dat het schappelijke prijzen waren.”

Van schappelijke prijzen

was vijftien jaar later geen sprake meer. Mede verantwoordelijk hiervoor was de inmiddels gepensioneerde kunsthandelaar Loek Brons die in 1989 zijn galerie in magisch-realistische kunst opende. Brons: „Een hoop mensen zeggen dat ik de prijzen heb opgedreven. Ik zeg: ik zag de waarde. Ik kocht een Mankes voor 20.000, 30.000 gulden, en die tilde ik naar een ton. Dat kan: jíj bent kunsthandelaar, de mensen volgen jou.” Maar, zegt Brons, zoiets werkt alleen bij bepaalde kunstenaars: „Het kan alleen als een schilder kwaliteit heeft. En Mankes heeft kwaliteit. Iedereen met een goed stel ogen kan dat zien.”

Tegenwoordig zit een schilderij van Mankes op hetzelfde prijsniveau als Carel Willink, Dick Ket en Jan Toorop – de topklasse van vroegtwintigste-eeuwse meesters. Voorlopig record is het schilderij Bomenrij (1915) dat in 2004 bij Christie’s in Amsterdam voor 417.450 euro werd verkocht aan het Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek. Ook in andere musea is Mankes goed vertegenwoordigd: in Arnhem, Oranjewoud, Leeuwarden en Enschede hangt meestal wel iets van hem op zaal.

Op één plek blijft de waardering voor Mankes achter: in de kunsthistorische overzichtswerken. Dat is altijd zo geweest. Een prominent kunstcriticus als A.M. Hammacher nam hem niet op in zijn Stromingen en Persoonlijkheden: een halve eeuw schilderkunst in Nederland en ook in Rudi Fuchs’ Dutch Painting ontbreekt de naam Mankes. Diederik Kraaijpoel, schilder, schrijver en Mankes-liefhebber sinds de jaren vijftig, heeft wel een idee hoe dat kan: „Die boeken zijn geschreven door een bepaald type kunsthistorici. Die zijn enkel geïnteresseerd in vernieuwing. Mankes was geen voorloper. Kubisme, totale abstractie, Mondriaan, dát vonden de kunsthistorici belangrijk.”

Maar volgens Carel Blotkamp, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de VU in Amsterdam, is er de laatste jaren sprake van een omslag. „Met de postmoderne relativering van het modernisme groeide de belangstelling voor de realisten. Twaalf jaar geleden was Mankes prominent aanwezig op La beauté exacte, een grote overzichtstentoonstelling van moderne Nederlandse schilderkunst in het Musée d’art moderne de la ville de Paris, waar hij samen met Dick Ket en Charley Toorop fungeerde als tegenhanger van Mondriaan en De Stijl.”

Hoe Mankes’ populariteit te

verklaren? Als uiting van een nostalgisch verlangen naar een veilige, overzichtelijke wereld, een tijd waarin alles beter was? Diederik Kraaijpoel meent van wel. „Op Mankes’ schilderijen word je meegenomen in een wereld waar alles harmonisch is”, zegt hij. „Een oase van rust. Veel hedendaagse kunst is juist groot en lawaaiig – van die schilderijen waar je eigenlijk op de bromfiets langs moet.”

Ja, meent ook Carel Blotkamp, „sentiment speelt mee. Al die lieve diertjes – ideale kunst voor de Partij van de Dieren eigenlijk.” Al vindt Emily Ansenk, directrice van het Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek en medeverantwoordelijk voor de aankoop van een tiental werken van Jan Mankes, sentiment niet het goede woord. „Het is eerder dat Mankes een decoratieve aantrekkingskracht heeft. Mensen zouden het graag boven de bank willen hebben.”

Maar heeft Mankes’ werk genoeg kwaliteit om een plaatsje in de kunsthistorische canon te veroveren? Zal men over pakweg driehonderd jaar nog steeds naar zijn werk kijken? Loek Brons is sceptisch: „Dat is niet te voorspellen. In 1880 kocht kunstenaar en verzamelaar Abraham Bredius nog een Vermeer voor acht gulden. Je zou zeggen dat de mensen toen toch ook ogen hadden.” Als er over tweehonderd jaar nog aandacht is voor beeldende kunst, meent Carel Blotkamp, dan zal er zeker waardering zijn voor Mankes. „Maar ik geloof niet dat hij ooit een status zal krijgen als Vermeer nu heeft. Om zo bekend te worden moet het oeuvre aanwezig zijn in de belangrijke musea én een prominente plek hebben in de kunstliteratuur. Dat lijkt me bij Mankes een illusie.”

Thom Mercuur, directeur van museum Belvédère in Oranjewoud, en curator van de tentoonstelling Woudsterweg. De Friese jaren van Jan Mankes (1909-1915), is optimistischer: „In Parijs is Mankes al opgemerkt. En vergeet niet dat de Fransen Vermeer ook hebben herontdekt. Het is nu zaak dat we in Nederland één grote Mankes-tentoonstelling voor het buitenland maken: de veertig beste werken, zoiets. Dat zou ik zelf best willen doen.” Over de toekomstige status van deze kunstenaar maakt hij zich in ieder geval geen zorgen: „Mankes is een blijver. Die gaat niet meer weg.”

‘Het Mankes perspectief’, t/m 13 mei in het Drents Museum, Assen, Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek (26 mei t/m 16 sept), Museum voor Moderne Kunst Arnhem (13 okt t/m 27 jan 2008).De tentoonstelling ‘Woudsterweg. De Friese jaren van Jan Mankes (1909-1915)’, t/m 16 sept. in Museum Belvédère, Oranjewoud.Symposium over Jan Menkes, 12 maart, museum Belvédère. Inl: www.museumbelvedere.nl.