Verliefd op een Chinese Warhol

Moderne Chinese kunst wordt voor enorme bedragen verhandeld.

Vooral Amerikanen zijn grootafnemers. Europa doet niet echt mee.

Een heer van middelbare leeftijd beweegt zich haast snelwandelend voort op de kunstbeurs in Rotterdam. Hij is een verzamelaar, die de kunstwerken meer scant dan bekijkt. Bij een groot paars schilderij van drie Chinese kinderen met Mickey Mouse-oren houdt hij plotseling stil. Hij begint een gesprek met een expert in Chinese kunst die toevallig staat te kijken naar het doek van zijn concurrent.

De expert: „Guo Jin, hè, heb je interesse?”

De verzamelaar: „Jawel, maar het is al verkocht.”

De expert: „Voor hoeveel?”

De verzamelaar: „Iets van 30.000 euro.”

De expert: „Zo, en nu al weg.”

De verzamelaar: „Van Guo Jin is laatst bij Phillips de Pury ook al wat geveild, voor 59.000 dollar.”

De expert: „Het gaat hard. Hangt hier nog wat anders voor jullie?”

De verzamelaar: „Een ander ding van Guo Jin waarover ik twijfel. De rest – Mujun, Liu Yu Jun – is al weg.”

Chinese kunst van nu is een hausse, zegt galeriehouder Rob Malasch even later. De ongeveer vijftien doeken van hedendaagse kunstenaars uit China zijn al op de eerste dag van de kunstbeurs nagenoeg allemaal verkocht: „In een middagje.” En dan behoren kunstenaars Guo Jin (1964) en zijn broer Guo Wei (1960) niet eens tot de supersterren onder de kunstenaars die na 1945 zijn geboren in China.

Met zijn vijftien jaar ervaring geldt Malasch als een van de Nederlandse pioniers bij de verkoop van kunstwerken die zijn gemaakt na de Culturele Revolutie. „Vooral de laatste twee jaar gaat het heel, heel erg hard”, zegt hij.

De Chinese storm is het meest voelbaar op de veilingen, waar Christie’s en Sotheby’s in 2006 samen een recordomzet boekten van bijna 200 miljoen dollar in Aziatische (lees: Chinese) kunst. De uitschieters waren de 2,7 miljoen dollar voor een schilderij van Liu Xiaodong (1963) en 2,3 miljoen dollar voor een werk van Zhang Xiaogang (1958).

Zhang Xiaogang is de absolute superster uit China. Hij heeft vooral naam gemaakt met zijn indringende, foto-achtige portretten van Chinese families in Maopakjes. Comrade No. 120 uit deze zogeheten ‘bloodlines’-serie bracht in 2006 bijna een miljoen dollar op, terwijl een jongensportret van 40 bij 50 centimeter bijna een half miljoen opbracht.

„Zhang Xiaogang behoort nu al in prijs en kwaliteit tot de categorie Lichtenstein en Warhol”, zegt Cees Hendrikse, een van de belangrijkste Nederlandse verzamelaars van Chinese hedendaagse kunst.

Honderden galeriehouders en kunsthandelaren in de Verenigde Staten en West-Europa haken in op de vraag naar moderne Chinese kunst. Zo wordt volgende week dinsdag de volledige handelsvoorraad geveild van Willem Kerseboom, 300 werken van onder meer de Bergense School. De opbrengst steekt Kerseboom volledig in zijn nieuwe nering, een galerie in Chinese kunst. Bij de opening van zijn Amsterdamse galerie, in december, was het merendeel van de getoonde werken al uitverkocht.

Rob Malasch bezocht in 1993 de opening van een tentoonstelling van Gilbert & George in Peking en ontmoette daar Fang Lijun (1963), thans een van de grote namen in China. Bij Fang in het atelier raakte Malasch onder de indruk van de koppen met opengesperde monden.

De tentoonstelling die Malasch kort erop in Amsterdam inrichtte met werk van Fang Lijun, liep meteen goed. Malasch verkocht werken aan het Duitse Ludwig-museum en aan het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar Rudi Fuchs toen directeur was. „Die lachende koppen vond ik interessant, optimistisch en tegelijkertijd ironisch”, zegt Fuchs.

De echte doorbraak kwam in 1998, met de zeer goed ontvangen solotentoonstelling van Fang Lijun in het Stedelijk, met werken die Fang had geschilderd in de maanden van zijn verblijf in Nederland. „Dat was mijn kennismaking met de hedendaagse Chinese kunst”, vertelt verzamelaar Cees Hendrikse. „Ik zag kunst die raakvlakken heeft met de kunst in het westen en die tegelijkertijd reflecteert op de maatschappelijke ontwikkelingen in dat land. De Chinese kunst heeft in het algemeen allerlei lagen die voor niet-Chinezen moeilijk zijn te doorgronden.”

Galeriehouder Willem Kerseboom werd via internet verliefd op het werk van Feng Zhengjie en andere Chinese kunstenaars. Een Noorse conservator gaf hem het mailadres van Feng. Kerseboom legde contact met de kunstenaar en begon diens werk te verkopen, onder meer aan een verzamelaar die alleen via internet Chinese werken aankocht. Kerseboom: „Internet maakt dat de avant-garde die er in Frankrijk vanaf 1900 pakweg twintig jaar over deed om tot volle bloei te komen, daar in China maar een paar jaar voor nodig heeft.”

De stroomversnelling van de laatste twee jaar wordt ook toegeschreven aan de Olympische Spelen in Peking van volgend jaar, die een katalysator zijn van het hele economische leven in China. De vraag naar kunstwerken wordt verder opgejaagd doordat in China wel duizend musea voor moderne kunst worden gebouwd.

Geld is in China geen probleem, zegt galeriehouder Malasch. „Fang Lijun maakt voor een museumentree een schildering van een paar meter hoog en 65 meter lang. Daar vraagt en krijgt hij 50.000 dollar per strekkende meter voor.”

Toppers als Fang Lijun en Feng Zhengjie zijn miljonair en wonen in villawijken. Beginnelingen wonen in kunstenaarskolonies met ongeveer 500 inwoners. Kerseboom toont het fotoalbum van zijn recente reis naar China, waar hij zo’n kolonie bezocht. Veel foto’s van ateliers met kunstenaars in winterkleding. „Het is er vaak koud, maar ze werken gewoon door.” Kiekjes van ster Feng aan een drukbevolkte eettafel. „Via Feng leer ik weer andere kunstenaars kennen.”

Chinese kunstenaars worden, zeggen de Nederlandse kenners, voortgedreven door een zucht naar commercieel succes. Malasch: „Andy Warhol definieerde kunst die goed verkocht als goede kunst. De Chinezen vinden dat ook. Of wij het kunstzinnig interessant vinden, interesseert ze helemaal niets.”

De handelsgeest van de Chinese kunstenaars en de wereldwijde hausse hebben een uniek fenomeen gebaard. Veilinghuizen als Sotheby’s en Christie’s wachten niet tot de kunst op de markt komt, maar veilen werken die bij wijze van spreken nat uit het atelier komen.

De belangrijkste kopers van Chinese kunst wonen in de Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea en China zelf, waar ongeveer dertig verzamelaars actief zijn. En al is de Zwitser Uli Sigg met 1.500 schilderijen ’s werelds grootste verzamelaar van Chinese hedendaagse kunst, Europeanen doen niet echt mee.

De Nederlanders zeker niet, zegt verzamelaar Cees Hendrikse. „Bij de musea heerst de gedachte: ‘not invented here’. Dus hebben ze geen interesse voor een land waar ontzagwekkend veel gebeurt in heel korte tijd. Musea hadden al lang – dus voor de ‘boom’ twee jaar geleden begon – moeten aankopen. Nu is het al laat, erg laat. Straks is het echt te duur.”

De bloei van de moderne Chinese kunst wordt dus niet weerspiegeld in de collecties van Nederlandse musea. Jammer voor het openbare kunstbezit, vindt Hendrikse. „Onze musea geven over twintig jaar geen goed overzicht meer van de hedendaagse kunst.”