Vergrijzing kost in 2011 al meer

Nieuwe berekeningen over een langere levensverwachting hebben tot gevolg dat de kosten van de vergrijzing hoger uitvallen. Dit betekent dat er meer moet worden omgebogen om de overheidsuitgaven vergrijzingsbestendig te maken. Dit blijkt uit notities van het Centraal Planbureau (CPB), opgesteld ten behoeve van de kabinetsformatie. In het regeerakkoord wordt hiermee geen rekening gehouden.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft in december 2006 een nieuwe bevolkingsprognose gepubliceerd, waaruit blijkt dat de gemiddelde levensverwachting harder stijgt dan eerder werd voorzien. Op grond hiervan schreef het CPB de onderhandelaars (CDA, PvdA en ChristenUnie) dat de herziening van de levensverwachting „dermate verstrekkende gevolgen” heeft dat bijstelling van het zogenoemde houdbaarheidsscenario van het Planbureau – de besparingen die nodig zijn om de vergrijzingskosten op te vangen – noodzakelijk is.

Het CPB berekent dat de verhoging van de levensverwachting met 1,9 jaar voor mannen (tot 81,5 jaar) en met 1,6 jaar voor vrouwen (tot 84,2 jaar) die het CBS voorziet, leidt tot extra uitgaven voor de AOW en de zorg. De omvang hiervan schat het CPB op 1 miljard euro in 2011. Dit bedrag loopt verder op in latere jaren. Het CPB verhoogt de aanpassingen die nodig zijn om de overheidsfinanciën vergrijzingsbestendig te maken, van 1 naar 2,5 procent van het bruto binnenlands product in 2011, een extra bedrag van zo’n 12 miljard euro.

Het kabinet-Balkenende IV neemt met het oog op de vergrijzingskosten wel maatregelen, maar die werpen pas na 2011 financieel effect af. Het grootste deel van de vergrijzingslast blijft liggen voor volgende kabinetten.

Los van de extra vergrijzingskosten heeft het kabinet nu al te maken met onvermijdelijke en waarschijnlijke overschrijdingen van de uitgaven van de ministeries, die dit voorjaar moeten worden opgelost. Deze kunnen oplopen tot ruim twee miljard euro.