Veilig in Londen

In 1956, toen de Russen Hongarije binnenvielen, woonde de kleine Benno Barnard in Londen, omdat zijn ouders een Derde Wereldoorlog vreesden. Een halve eeuw later keert de schrijver terug naar het hotel waar hij toen zijn tweede verjaardag heeft gevierd.

Aan tafel houdt Herinnering dikwijls ernstige monologen, maar het gebeurt dat ik intussen met haar minder begaafde zuster Nostalgie in bed kruip, die een beetje hysterisch is opgemaakt, maar wel onweerstaanbaar blijft. Ze nodigt me in Londen uit, voor een rendez-vous in het Somerset House Hotel. Daar speelt mijn eigen film over november 1956. Heren nemen hun hoed af voor mijn elegante moeder, over wier avondtoilet de kroonluchter zijn diamanten schittering strooit; voor mijn tweede verjaardag weerklinkt het Happy Birthday. We logeren daar omdat mijn vader bang is voor een Derde Wereldoorlog.

Het jaar 1956 is lang geleden, 42 voor Google om precies te zijn, maar op onverklaarbare wijze bloeiden ook toen al de kunsten en wetenschappen. Op de schaal van mijn twintigste eeuw is het ongeveer halverwege de Arbeitseinsatz van mijn vader en Abbey Road van mijzelf.

Voor me ligt een brief van wijlen mijn moeder over de Russische inval in Boedapest, oorspronkelijk niet aan mij gericht, maar inmiddels wel. Een datering ontbreekt. Hij is afgestempeld op 8 november 1956, wat volgens de Wikipedia een donderdag was. De geadresseerde is Mr W. Barnard, c/o The Reverend F. Glendenning, St. Mary’s Vicarage, Hull, Engeland.

De eerwaarde Glendenning

was een vriend van Philip Larkin, met wie mijn zelf-ook-dichtende vader in die dagen kennismaakte. Aan de telefoon kan hij zich niet meer herinneren of hij met Larkin over de politieke toestand gediscussieerd heeft, maar dat zal wel, want dichters onder elkaar plegen ontzettend veel van de wereldpolitiek te snappen. Ik weet niet of Larkin ook toen al die reactionaire pose aannam, waarin hij tien jaar later met een zekere wellust vijanden maakte – zijn beruchte gedicht ‘When the Russian tanks roll westwards’ dateert van 1969.

„Ik zond vanavond de NRC van Maandag en Dinsdag naar je toe”, schrijft mijn moeder. „Bewaar ze als document. Wij hebben hier de indruk dat de tragiek van de Hongaren, die in meerdere landen felle reacties, maar in Nederland toch geloof ik de felste heeft veroorzaakt, door de Engelsen vrij onverschillig of liever gelaten is ondergaan. Of is die indruk verkeerd? Natuurlijk, de Engelsen hebben nooit een bezetting ondergaan, maar dat een dergelijk ontmaskerend verraad van de Sovjets, waarop bijvoorbeeld Sartre en Simone de Beauvoir fel gereageerd hebben, geen andere dan lauwe reacties in Engeland zou hebben gewekt, lijkt me onvoorstelbaar.”

„Je zult misschien vinden dat ik hier erg vol van ben”, vervolgt ze, „maar als je de beklemming Zondag en Maandag hier in ’t land had meegemaakt zou je ’t net zo voelen. Ik was niet goed in orde door de enorme spanning, ik had die dagen voortdurend maagpijn, en beklemming-van-binnen zoals vaak tijdens de Moffen en zelfs darmloop. Dat is niet belangrijk, maar geeft weer hoe we en iedereen hier erbij betrokken waren. Lees goed de kranten die ik stuurde. Kun je je een ontroerender briefje voorstellen dan gebonden aan de hals van een Hongaars kind, dat alleen Oostenrijk in vluchtte, luidende: ZORG VOOR DIT KIND. WIJ VECHTEN DOOR. Denk eens aan je eigen kinderen!”

Bevreemdende era van mijn ouders, denk ik tegen mijn computer, waarop ik binnen een minuut het televisienieuws van de BBC van 4 november 1956 heb gevonden. Mijn moeder heeft internet niet meer meegemaakt, en dus ook email niet, waarvan ik het gevoel blijf houden dat het een heel lang lemma in het Woordenboek van Betreurenswaardige Verbeteringen verdient. De hemel heeft zoiets onvoorstelbaars en licht pornografisch als elektronisch briefverkeer tussen mijn ouders nog net weten te verhinderen, al scheelde het maar een half eeuwtje.

Ik kijk naar het handschrift van mijn moeder. Zo ziet een Dode-Zeerol er dus uit. Een postscriptum van daags nadien ontcijfer ik als: „Vanmorgen kwam je brief. Nu weet ik dat het gebeuren in Hongarije niet langs de Engelsen is heengegaan.”

Twee dagen later moeten de Hongaren zich overgeven, maar mijn door de moffen levenslang opgejaagde vader laat zijn gezin alsnog naar Engeland overkomen, waar we ook het voorbije jaar hebben doorgebracht, op een studiebeurs van mijn vader. We waren pas in september naar Amsterdam teruggekeerd.

We logeren drie weken lang

in het Somerset House Hotel, 6 Dorset Square, London, N.W.1. Dat adres staat op een kasbon die over dertig jaar uit de voering van een nooit meer gedragen jasje zal komen vallen – in de verre toekomst raap ik hem op en stop hem in mijn portefeuille.

Door het raam van de trein die me naar 1956 brengt, zie ik reusachtige wolken overdrijven, een onstuitbare vloot vrachtschepen, die regen naar het continent dragen – en natuurlijk wil ik dat heel Londen grauw is, als op de kleine fotootjes die mijn vader tijdens mijn vroege Engelse jeugd nam, met een toestel dat hij als zijn ‘boxje’ aanduidde. Ziet u die mistvlek? Dat is wijlen mijn moeder op een bankje aan het meer in Regent’s Park, waar mijn vader een bootje huurt, en die vage nevel op haar schoot ben ik.

De stad willigt mijn wens in, het is afschuwelijk januariweer. Maar op de foto’s van mijn vader zien mijn moeder, mijn zusje en ik nu juist zo wit omdat de zon schijnt. Ik kijk wat om me heen naar de bewegende ornamenten van Londen, de zwarte taxi’s, de rode bussen. Ik moet mijn kinderen dringend op een dubbeldekker trakteren.

Ik neem de ondergrondse, die namen uit mijn jeugd aaneenrijgt, Charing Cross, Piccadilly Circus, Oxford Circus, Regent’s Park, Baker Street… „Mind the gap, mum”, zegt mijn zusje. We wandelen naar 6 Dorset Square. Mijn vader houdt haar en mijn hand vast. Het is november 1956. We zien allemaal mistkleurig.

Het hotel ligt aan een klein park met een zwart gietijzeren hek, waar een troep aanhangers van Sparrow United aan het ruziën is geslagen om broodkorsten. Het heeft een imposante Georgian gevel, witte zuilen, de cadans van gietijzer voor de balkons. Het is al sinds 1887 een hotel. Maar om een of andere reden is het nu eind november 2006 – en ik sta me nadrukkelijk te realiseren dat ik hier dus vijftig jaar geleden heb gelogeerd, toen de Russische tanks de Hongaarse vlakte toch maar niet achter zich lieten om verder naar het westen te rollen. Ik kom hier blijkbaar een gouden bruiloft met mezelf vieren. Ik ben vijftig jaar getrouwd met de Engelsman in mij.

Een Pools blondine beheert de lobby, waar kuipstoeltjes staan en klokken hangen die de tijd in diverse wereldsteden aangeven. Ik kon haar vader zijn, al kon ik dat natuurlijk niet. Of ik een voucher van mijn firma heb? „Ik heb via internet gereserveerd.” Ze vindt mijn naam niet. Ik krijg toch een sleutel.

Het duistere gangenstelsel spuwt me als slecht verteerd voedsel in een kamer uit. Ik zet mijn tas neer en kijk om me heen. Dertig jaar geleden is hier een booswicht voorbijgekomen, die het vooroorlogse meubilair heeft stukgeslagen. Het toilet zit klem tussen de lekke douche en de badkamermuur: kakken is een turnoefening. In het bed is Nostalgie vanzelfsprekend niet te bekennen.

In de bar zit Oost-Europa op haar knieën de vloer van West-Europa te schrobben. Ik ben de enige gast. Ik vraag om cognac. Ze begint in een kast te rommelen, alsof ze bleekwater zoekt, verdwijnt en komt tenslotte met een flesje bier terug. „Sorry, we have no brandy, okay?” Ik denk aan mijn herinneringen, die mijn ouders zich voor mij herinnerd hebben. Misschien was hun verbeelding rijker dan zijzelf.

De volgende ochtend is er geen ontbijt, maar de receptioniste-barmeid-schoonmaakster wil best koffie voor me zetten. Haar gsm rinkelt. „How are you, darling?” zegt ze, met obligaat rollende r, alsof ze een Engelse actrice is die een Poolse speelt. Ik zie een Londens vriendje voor me, iets voetbal-arbeider-tatoeage-onverstaanbaar-achtigs met ros haar en een idiote oorbel, die zich aan deze aardige bijna-dochter van me vergrijpt.

„Weet je dat ik in dit hotel mijn tweede verjaardag heb gevierd?” zeg ik later bij het afrekenen. „De Russen hadden Boedapest bezet…” Het klinkt vreemd suggestief, alsof iemand iets onfatsoenlijks met haar grootmoeder heeft gedaan. „Het is lang geleden”, voeg ik eraan toe. Ze is erg blond vanmorgen.

Een really rolt traag over haar tong. Ze kijkt bezorgd. De slotklank zakt als een kwijldraad naar haar computerklavier. „Ik herinner me niks van het communisme, hoor”, zegt ze dan. „Hebt u echt geen voucher?”