Pech of moord? Dat is de hamvraag

Connie Palmens sleutel-roman over Peter Schat roept tal van vragen op.

Wat in ieder geval onduidelijk blijft is het waarheidsgehalte.

Als romanschrijfster is Connie Palmen iemand die beweegredenen en zielenroerselen in kaart wil brengen. Ze is geïnteresseerd in menselijke relaties en in eigen en andermans drijfveren. Tot dusver schreef zij dan ook vooral over haar eigen ervaringen, met als handelsmerk de korte, krachtige, indringende zin, waarin vaak een zelfbewuste ik-figuur aan het woord is.

In Lucifer, haar nieuwe, zesde roman, wijkt ze enigszins af van het bekende, autobiografische stramien. Weliswaar opereert ze ook deze keer vanuit een intellectueel Amsterdams milieu en zijn de beschreven gebeurtenissen lang niet allemaal aan haar eigen fantasie ontsproten, maar zelf komt ze er niet al te prominent in voor. Zij is de naamloze schrijfster die in het begin en aan het eind van het boek opduikt om stof te verzamelen voor de door haar te schrijven roman Lucifer. Maar deze passieve rol ligt haar niet goed en zorgt er in elk geval voor dat haar zinnen vlakker, beschrijvender en saaier zijn dan anders, en trouwens ook veel omslachtiger. In een kennelijke behoefte zoveel mogelijk gevoelsnuance aan te brengen, noteert ze over een personage: ‘Met een lichte opwinding die hij verwelkomt omdat ze hem zijn groeiende misselijkheid doet vergeten, loopt hij naar Jacoba toe.’

Hoofdpersoon is de roemruchte componist Lucas Loos, in het echte leven Peter Schat (1935-2003), van wiens veelbewogen leven en werk een indruk wordt gegeven aan de hand van diverse uitspraken van vrienden en bekenden. Vooral concentreert zij zich op een dramatische episode uit dat leven: het noodlottige ongeluk van zijn vrouw Clara Wevers (in het echt Marina Schapers). In de zomer van 1981 hielden Lucas, Clara en hun zoon Quint vakantie op het Griekse eiland Skyros, in een villa aan de Egeïsche Zee. Tijdens een drankovergoten nacht verloor Clara haar evenwicht toen ze op het terrasmuurtje zat. Ze viel en was op slag dood.

Deze plek, compleet dus met een, oneerbiedig gezegd, nog niet al te oud lijk, heeft Palmen proberen ‘leesbaar’ te maken door er een verhaal, of liever: verschillende verhalen over te vertellen. De hamvraag die in de roman steeds gesteld wordt: wie of wat veroorzaakte deze val? Was het domme pech of zelfmoord? Kreeg zij een duwtje van Lucas? Had hij misschien wel een creatief belang bij haar dood, omdat die hem in staat stelde een doorleefd requiem voor haar te schrijven en een happening te maken van haar begrafenis? Veel vragen, geen duidelijke antwoorden.

Net als Vondel, die in 1654 een treurspel schreef over de gevallen engel Lucifer, verdeelde Palmen haar hedendaagse Lucifer in vijf ‘bedrijven’. In die bedrijven wordt van alles verteld over Lucas Loos, zonder dat we een duidelijk beeld van hem krijgen. Hij had een heftig temperament, waardoor hij mettertijd gebrouilleerd raakte met componisten, schrijvers en journalisten. Hij vond een klank- of toonklok uit, waarmee hij alle problemen in de hedendaagse muziek opgelost meende te hebben. Maar in de praktijk kreeg zijn harmonieleer weinig navolging en verzandde zijn kunstenaarschap in een eenzaam avontuur. Hij zag eruit als ‘een woeste engel’, met zijn goudgelokte krullen en zijn ‘albinowitte wimpers’. Hij was flamboyant en geestig, maar ook ‘cholerisch, hovaardig en nijdig’. Hij leefde samen met Clara, maar viel op jonge mannen. Een tragische figuur wellicht, maar zo te zien niet iemand om van te houden.

Hetzelfde geldt voor Clara, die ‘een gekwelde engel’ wordt genoemd. Een schimmig personage. Ze bleef Lucas trouw, al bedroog hij haar steeds opnieuw en al hield ze niet van zijn muziek. Clara moest het vooral hebben, zo begrijp ik, van haar ‘overweldigende schoonheid’, haar ‘goddelijke figuur’, haar ‘geelbruine teint’, haar ‘slaapkamerogen’, haar ‘perfecte kaaklijn’ en van het geld en het huis op de Wallen dat ze van haar rijke vader kreeg. Clara schreef zestien vuilniszakken met dagboeken vol, die na haar dood werden verbrand. Volgens haar beste vriend Robin klonk er een klagerige en humorloze vrouw uit op, die eigenlijk maar in één ding goed was: in afvallen.

Lucifer is een sleutelroman. Dat zou voor veel lezers de charme ervan kunnen zijn. Komt Lucas Loos enigszins overeen met het overgeleverde beeld van Peter Schat? Wie zijn al die vroegere vrienden met wie hij aanzat aan ‘De Tafel’ in ‘De Kring’ en die hier zo uitgebreid aan het woord komen? ‘De Prins’, die veelvuldig in het stuk voorkomt en die een libretto schreef bij een opera van Lucas, is dat misschien Komrij? Maar die heeft toch, anders dan deze Prins, geen vrouw? Is Bubi de Vos W.L. Brugsma, die Boebi werd genoemd? Maar die was journalist en geen musicus. Enzovoort.

Een andere vraag die zich opdringt: wie is nu eigenlijk de Lucifer uit de titel? Is Clara de gevallen engel? Of toch Lucas, die een symbolische val maakte uit zijn zelf geschapen muzikale hemel? Of nog eerder Connie Palmen zelf, die hier als schepper de strijd aangaat met God? In de roman is op zeker moment sprake van de demonische aard van de literatuur. ‘Ze liegt en bedriegt, verfraait en verdicht, en toch overtreft ze in al haar leugenachtigheid de werkelijkheid in waarheidsgehalte.’ Al die verfraaiingen en verdichtingen hebben mij niet weten te overtuigen van het waarheidsgehalte van deze roman over Peter Schat, of van de dramatische noodzaak ervan. Hij blijft er zo’n beetje tussenin hangen, tussen literatuur en werkelijkheid, tussen treurspel en dorpspomp.

Connie Palmen: Lucifer Prometheus. 352 blz. € 19,95

Discussieer mee over Lucifer op www.nrc.nl/leesclub