Onzachte landing

Politieke profileringsdrift door de komende Statenverkiezingen peperde gisteren het debat over de regeringsverklaring van het kabinet-Balkenende IV. Nieuwe demarcatielijnen tussen oppositie en coalitie werden getrokken. Balkenende, die nu met zijn ‘wij-kabinet’ door middel van dialoog op zoek is naar draagvlak, bood in zijn regeringsverklaring de oppositie ruimte voor samenwerking. Maar aan het slot van het debat regende het moties, die alle werden verworpen.

Buiten de regeringspartijen verwelkomden aanvankelijk ook de partijen van de oppositie het nieuwe kabinet. Zo was er lof van SP en GroenLinks voor het aangekondigde generaal pardon voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat is in elk geval een onderwerp waarvoor het kabinet over breed draagvlak lijkt te beschikken, mits de strikte toelating van nieuwe vreemdelingen wordt gewaarborgd.

Op tal van andere punten moest Balkenende zich daarna verdedigen tegen een spervuur van kritiek. VVD-leider Rutte richtte zich tegen de zwakke financiële onderbouwing van het akkoord. Marijnissen tamboereerde op zijn favoriete thema van de „schandalige” herkeuringen voor arbeidsongeschikten. Halsema vond de investeringen in het milieu onder de maat. Beiden hadden samen met D66-leider Pechtold grote problemen met het feit dat de PvdA ermee heeft ingestemd dat er geen parlementair onderzoek komt naar de motieven die leidden tot politieke steun van Nederland aan de oorlog in Irak.

Marijnissen ontgroende de nieuwe PvdA-fractievoorzitter Tichelaar, die hiertegen overigens met zijn klassieke PvdA-geluid redelijk opgewassen bleek. Pechtold wees er terecht op dat de PvdA, tot voor kort verklaard voorstander van onderzoek, in de beslotenheid van de onderhandelingskamer het enquêterecht van de Tweede Kamer had verdonkeremaand. En de nieuwe CDA-fractievoorzitter Van Geel, die zich beperkte tot een lofzang op het nieuwe kabinet, doorstond minzaam Pechtolds pesterijen.

De meeste fracties juichten op zich de nieuwe, luisterende opstelling van Balkenende toe, maar hadden wel terechte vragen over het feit dat het kabinet de eerste honderd dagen niet aan de slag gaat. Onder druk van de verkiezingen volgende week vertoonde het debat soms het gebrek aan nuances van een verkiezingsdebat. En hoewel de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Wilders niet meedoet aan de Statenverkiezingen, gold dat met name voor zijn motie van wantrouwen tegen de twee staatssecretarissen van PvdA-huize, Aboutaleb (Sociale Zaken) en Albayrak (Vreemdelingenzaken en Immigratie). Zij zouden vanwege hun dubbele nationaliteit, de Nederlandse en respectievelijk de Marokkaanse en Turkse nationaliteit, de schijn van belangenverstrengeling op zich laden. De motie werd alleen door de PVV gesteund. Dat valt goed te begrijpen, want doorgaans zegt de Kamer alleen het vertrouwen op in bewindspersonen op basis van foutief handelen. En dus niet op grond van wie zij zijn, zoals Halsema ook benadrukte.

Rond de kwestie van de dubbele nationaliteit liep de spanning tussen de twee grootste coalitiepartners hoog op. PvdA-vicepremier Bos greep in toen Balkenende naar zijn smaak niet duidelijk genoeg stelling nam tegen Wilders’ aanvallen op zijn staatssecretarissen. Tichelaars dreigement de steun aan het kabinet in te trekken indien het CDA ooit zou toegeven aan de druk van Wilders om de dubbele nationaliteit te verbieden, moest dat corrigeren. Zo maakte de bijzondere coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie, die net vol van beloften het luchtruim had gekozen, een onzachte landing in de realiteit van de Nederlandse partijpolitiek.