Luceberts monsters worden rijpe draken

Tentoonstelling: Lucebert, Schilder, Dichter, Fotograaf. T/m 3 juni in Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112. Di t/m zo 10-17u. Catalogus € 32,50. Inl: 020-2463666, www.stedelijk- museumschiedam.nl

Soms staccato, dan weer zacht en golvend klinkt de stem van Lucebert door de expositieruimte van het Stedelijk Museum Schiedam. Hij draagt zijn gedichten voor. Je kunt ze meelezen: de teksten hangen tussen zijn schilderijen en tekeningen. Het retrospectief van het dubbeltalent is een totaalervaring, compleet met beroemde zinsneden aangebracht in het trappenhuis. In de zalen kun je zijn gedichten ook op iPods afluisteren. Er zijn briefwisselingen van de kunstenaar te lezen. En overal bedekken meer dan manshoge foto’s de ramen. De kunstenaar, met donkere, goedlachse ogen, wordt langzaam ouder: per zaal nemen de grijze haren toe.

De expositie is voor een groot deel ingericht met werken die vorig jaar door de weduwe van Lucebert (Lubertus Johannes Zwaansdijk, 1924-1994) geschonken zijn aan het Instituut Collectie Nederland. Maar Diana Wind, directeur van het Stedelijk Museum Schiedam en samensteller van de expositie, mocht ook rondneuzen in het atelier van de kunstenaar.

Lucebert, die in 1948 in het Amsterdamse Stedelijk Museum exposeerde op de eerste Cobra-tentoonstelling, begon als tekenaar. Schilderen volgde rond 1958, toen hij voldoende geld had voor verf en doeken. Maar ook toen bleef hij in de eerste plaats tekenaar. Hij schetst, meestal in zwart-wit, fantasierijke werelden vol monstertjes en vreemde mensachtigen. Diezelfde figuren komen terug op doek, soms donker en zwaar, maar ook wel in heldere kleuren. De schilderijen zijn statischer en meer bedacht, terwijl zijn tekeningen associatief en gedurfder zijn.

In de periode 1965-1980 richt Lucebert zich vrijwel geheel op zijn beeldend werk, en schiet het dichten erbij in. Hij gaat realistischer schilderen, hoewel zijn mensfiguren altijd vreemd verwrongen blijven, met koppen alsof er een flinke dosis hallucinogene middelen aan te pas is gekomen. Picasso is een grote invloed, maar de werken doen ook denken aan Francis Bacon. Op De Getuigen uit 1977 schildert Lucebert met vaalgroen drie personen met gemeen vertrokken gelaten, alsof ze iets naars bekonkelen.

In 1981 schildert hij de reeks De Ketters, afgeleid van prenten van Goya, met nog onmenselijker vertrokken gezichten. Hij deed dat naar aanleiding van een coup die aanhangers van de net afgezette dictator Franco wilden plegen in Spanje, het land waar Lucebert jarenlang een huis had, en regelmatig verbleef. De ketters zijn de meest angstaanjagende reeks schilderijen op deze tentoonstelling. Alle monstertjes en droomwezens uit de beginjaren zijn volwassen geworden en uitgegroeid tot overrijpe draken.

Ook in Luceberts werk uit de jaren tachtig en negentig sijpelt kritiek op machthebbers door. Zoals in een tekening waarop soldaten vrouwen met kinderen bedreigen. Het doek De aftocht der tirannen uit 1991 is qua onderwerp ook kritisch, maar in vormentaal een terugkeer naar Cobra: de pasteuze lagen verf, de wat naïeve, maskerachtige koppen, de figuren samengeklonterd in het midden.

Uit de foto’s die Lucebert in de jaren vijftig en zestig maakte, onder andere straatbeelden in Bulgarije, bewijzen dat hij een formidabel waarnemer was. Mooi is de foto van een vrouw die haast verborgen gaat onder een takkenbos of de lichtval in een opname van een kar vol met sloffen in Berlijn. Maar er is een opvallend verschil met het beeldend werk. Daarin sijpelt altijd dat ingehouden enthousiasme door. Terwijl zijn fotografie zoveel kalmer en ingetogener is – net of er twee verschillende mensen aan de slag zijn geweest.

Lucebert de beeldend kunstenaar is schatplichtig aan Cobra, zijn hele carrière lang. Hij was niet de meest verrassende of vernieuwende beeldend kunstenaar, maar dat vergeef je hem gemakkelijk. Want er straalt zo’n beeldendrang uit al zijn werk. Het enthousiasme waarmee hij naar de wereld keek, werkt aanstekelijk.