Laat het toneelpubliek maar reizen

In het nieuwe plan om de toneelwereld te laten domineren door acht grote stadsgezelschappen, zit veel zinnigs, maar de bijbehorende fusiegolf kan voor ellende zorgen.

Acht grote stadsgezelschappen moeten het toekomstige theaterlandschap gaan domineren, zo bleek gisteren uit een gezamenlijk plan van de elf grootste toneelgezelschappen en schouwburgenvereniging VSCD. De nieuwe acht moeten groot zijn, een eigen ensemble en een eigen schouwburg hebben, en er slechts op uit trekken als ze er zin in hebben. De nadruk moet liggen op het bedienen van de eigen stad.

De plannen moeten een einde maken aan verschillende problemen in het gesubsidieerde schouwburgtoneel, met als grootste probleem dat het steeds minder plaats krijgt in de provinciale schouwburgen. De theaterdirecteuren programmeren liever musicals, cabaret en commercieel toneel, omdat daar veel meer publiek op af komt. Ook zou het gesubsidieerde toneel te veel versnipperd raken; het aanbod zou te groot en te eenzijdig experimenteel zijn. Verder zit het huidige systeem zo dichtgetimmerd dat er geen ruimte is voor het hernemen van succesrijke voorstellingen.

De plannen van de Grote Elf en de VSCD zijn niet nieuw. Ze leven al langer, en doen bijvoorbeeld denken aan het ‘Pamflet over de toekomst van het theater’ uit 1998. En het gedroomde nieuwe systeem lijkt erg op dat van ander landen als Duitsland, waar stadsgezelschappen het beeld bepalen en rondreizende gezelschappen zeldzaam zijn.

Grootste doorbraak van het plan zit hem dan ook niet in de inhoud, maar in het feit dat de gezelschappen sowieso willen samenwerken. Nog opmerkelijker is het inhaken van de schouwburgen, die tot nu toe vaak tegenover de gezelschappen stonden. Nog niet zo lang geleden opperden de schouwburgdirecteuren nog om het subsidiegeld voortaan maar aan hén over te maken.

In deze discussie vertegenwoordigden de schouwburgen vaak de markt (volle zalen) en de gezelschappen de kunst (niet te veel afspraken want die bedreigen de autonomie van de podiumkunstenaars). Die tegengestelde belangen zijn nu niet opeens verdampt, maar als gezelschappen en theaters meer gaan samenwerken, zoals dat in Den Haag en Amsterdam al gebeurt, kan dit voor beide winst opleveren.

De beoogde steden komen overeen met de steden waar nu reeds grote gezelschappen zijn gevestigd: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Arnhem, Eindhoven en Maastricht. De eerste drie hebben in feite al een flink stadsgezelschap, respectievelijk Toneelgroep Amsterdam, het Ro Theater en het Nationale Toneel. De andere steden hebben kleinere gezelschappen die door fusies groot moeten worden.

Dat is het grootste probleem. Utrecht heeft geen groot gezelschap, in Arnhem, Groningen en Maastricht zitten groepen die prima functioneren in eigen huis. Het nut van het optuigen en samenvoegen van die gezelschappen en ze naar de plaatselijke schouwburgen (terug)verhuizen is niet evident.

„Niet alles hoeft overal te zien te zijn”, is de kerngedachte. De door het rijk opgelegde reisverplichting wordt reeds lang gehaat en ontdoken. Iedere dag een middag in de file staan ergens voor veertig man te spelen, is niet de droom van een beginnend theatermaker. Zeker in een klein land als Nederland is het logischer om het publiek voor kunsttoneel naar de grote steden te laten komen. Dat sluit aan bij een situatie die nu al bestaat: in de grote universiteitssteden met een noemenswaardige intelligentsia is wél belangstelling voor kunsttoneel, in de provincie veel minder.