Kunst. Niet schieten!

Robert M. Edsel: Rescuing Da Vinci. Hitler and the Nazis Stole Europe’s Great Art, America and Her Allies Recovered It. Laurel Publishing, 303 blz. €30,86

Het tragische verhaal van kunst en oorlog is zo oud als de beschaving. Uit Napoleons gesleep met kunstwerken is het Louvre aanmerkelijk uitgebreid, en de gevolgen van Hitlers poging Europa te veroveren zijn tot op vandaag in de Nederlandse musea merkbaar. Zijn hebzucht en die van rijksmaarschalk Goering zijn de oorzaak van de Goudstikker-affaire.

In zijn fotoboek Rescuing Da Vinci vertelt Robert M. Edsel hoe de nazi’s de bezette gebieden plunderden met verlanglijstjes in de hand. Het is de voorbereiding tot zijn eigenlijke onderwerp: de 400 mannen en vrouwen van het Amerikaanse legeronderdeel Monuments, Fine Arts and Archives (MFAA) dat vanaf 1943 de schade en teloorgang van schilderijen, beelden, bibliotheken en gebouwen probeerde te beperken.

Tussen de ruim 450 foto’s die Edsel bijeenbracht uit archieven, musea en privé-verzamelingen van over de hele wereld maken die met soldaten in de buurt van kunst de meeste indruk. Ze komen uit twee werelden die onmogelijk samengaan: die van de schepping en die van de vernietiging. De dreiging blijft zelfs zichtbaar als ze met ontzag of verbazing naar Leonardo Da Vinci’s Vrouw met een hermelijn kijken die ze gered hebben uit een vochtige mijn, waarin de nazi’s het uit Polen geroofde meesterwerk hadden verstopt.

Rescuing Da Vinci begint in de jaren dertig met foto’s van Hitler die uitrust op een museumbankje tijdens een bezoek aan een mede door hem samengestelde tentoonstelling van ‘goede’ kunst in het Haus der Deutsche Kunst in 1937 in München. We zien hoe hij ijzig rondloopt op de expositie Entarte Kunst die een dag later opengaat, en waar het werk van modernen en experimentelen – van Van Gogh tot Emil Nolde en Dali – zo lelijk mogelijk is uitgestald. Op een van de foto’s kijkt hij omhoog langs het door Erich Heckel geschilderde portret van een zittende man. Hitler stram in uniform, de man op het schilderij in jasje en lichte broek. Het onbegrip tussen de twee is maximaal.

Even beklemmend zijn de foto’s van Goering in zijn jachtslot Carinhall waar de muren behangen waren met topschilderijen. Veel kunst in Carinhall had Goering aangeschaft uit Goudstikkers collectie of gekozen uit geroofd Frans bezit op exposities die voor hem georganiseerd waren in het Jeu de Paume in Parijs. Het beste moest terechtkomen in Hitlers supermuseum in Linz. Goering reisde twintig keer naar het Jeu de Paume en nam 700 werken mee.

Vanaf de geallieerde opmars door Italië (1943) probeerde de MFAA kunstschatten te beschermen. Jonge museumdirecteuren, conservators, architecten en hoogleraren meldden zich als vrijwilliger bij de eenheid en zorgden voor kaarten waarop kerken, musea en andere cultuurschatten gemarkeerd stonden. Ze boden tijdens de strijd in Italië en later in Frankrijk, België, Duitsland en Oostenrijk musea hulp aan en zorgden dat beschadigde kerken en museumgebouwen gestut werden. Ze informeerden het leger over standbeelden en monumentale locaties zodat die in de strijd ontzien kon worden. Ze deden veel om plundering van villa’s en kastelen te voorkomen. Soms hingen ze bordjes ‘gevaar: mijnen’ op om de eigen troepen weg te houden. Maar mankracht en transport waren schaars. De genietroepen die nodig waren voor de herstelwerkzaamheden waren vaak dringend nodig aan het front.

De Amerikaanse legerleider Roosevelt schrijft op 29 december 1943 tijdens de strijd in Italië in een brief aan zijn bevelhebbers dat ze vechten in een gebied dat veel aan ‘ons culturele erfgoed’ heeft bijgedragen. ‘We moeten monumenten beschermen, voor zo ver de oorlog dat toestaat.’ Maar mensenlevens zijn volgens hem ‘oneindig belangrijker’ dan gebouwen. Toch hebben de mensen van het MFAA vaak improviserend veel gered wat anders verloren zou zijn gegaan. Edsel: ‘Hun rol in het laten voortbestaan van de grootste gift van de mensheid aan toekomstige generaties kan niet overdreven worden.’

Nadat Duitsland in 1945 verslagen was werden de opslagplaatsen ontdekt waar de geroofde kunst was opgeslagen. Uit honderden mijnen, zoutgroeven, kastelen, paleizen, spoorwagons, tochtige pakhuizen en holen kwamen onder begeleiding van de MFAA meesterwerken te voorschijn, zoals in dit boek nu voortreffelijk wordt gedocumenteerd en geïllustreerd. Sprookjeskasteel Neuschwanstein van Ludwig II van Beieren zat vol gestolen Franse kunst en uit de zoutmijnen bij Salzburg kwamen 6.500 schilderijen tevoorschijn, waarvan vele in slechte staat verkeerden. Pas zes jaar na de oorlog hadden de Amerikanen het meeste uit het westen en zuiden van Duitsland en het noorden van Oostenrijk teruggestuurd naar de landen van herkomst.

De Russen gingen in het door hen bezette deel van Duitsland anders om met de gevonden schatten. Hun Trofeeënbrigade, de variant op de MFAA, zorgde dat er miljoenen kunstvoorwerpen als compensatie voor de vernietigingen door de nazi’s naar het socialistische vaderland werden afgevoerd. Veel daarvan is nog altijd zoek. Een paar jaar geleden kwamen 139 tekeningen en drie prenten uit de Koenigs-collectie terug naar Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, waaronder werken van Holbein en Altdorfer. Veel ligt nog steeds in Russische musea en depots.

Edsel wil dat zijn boek over de MFAA een les is voor deze tijd. Die is niet overbodig zo blijkt uit het plunderen van het Iraaks Museum in Bagdad nadat Amerikaanse troepen Saddam Hussein hadden verslagen. Dat het leger zich niet had voorbereid op behoud van dat cultureel erfgoed, vindt Edsel een pijnlijk verraad ten opzichte van de MFAA-soldaten.