Katja’s dagboek

Wat vooraf ging: Tjalling is zoek! Katja is haar reisgenoot kwijtgeraakt. Ze heeft alleen nog zijn bril. Via een lange gang is ze op een podium beland. Voor een zaal vol publiek.

Ik kneep Tjallings bril bijna fijn van schrik. Ik deed een stapje naar achter. Direct klaterde er applaus door de zaal, luid en verwachtingsvol, alsof ik iets geweldigs gedaan had. In verwarring stapte ik maar weer naar voren. Een verrukt gemompel ging door de rijen. Ik kon me omdraaien en weer vertrekken. Maar wilde ik dat echt? Iedereen keek naar me.

Ik ademde in, rechtte mijn rug en boog. Vroeger had ik op tapdansen gezeten. Nu had ik geen tapschoenen aan, maar het podium was glad, en mijn zolen waren hard… Ik wist de pasjes nog precies. Ik liep een eind naar opzij, hak-teen, klikketi-klak. De spanning van de zaal was te voelen. Ik maakte een sprong en begon te roffelen, takke-tik-tak deden mijn voeten onder me. Ik moest er zelf om lachen. Mijn publiek lachte mee.

Ze vonden me geweldig! Ik huppelde een rondje, spreidde mijn rok, liet mijn knieën knikken alsof ik een opwindpoppetje was. De zaal vond het prachtig. Konden mijn ouders me nu maar zien! Zouden ze komen kijken, als ze wisten dat ik hier stond? Misschien niet. Misschien hadden ze de oppas wel gestuurd. Thuis danste ik meestal voor haar. Of voor mijn Furbies. Omdat ik hieraan denken moest werd mijn dans droevig en langzaam. Ik slofte over het podium, liet mijn schouders hangen. Tot ik op schrok van een vreemd geluid. Er klonk gesnik! Mijn publiek huilde. Zo sterk leefden ze met me mee. Ze hielden van me.

Ik vermande me. Een zucht van verlichting steeg op uit de zaal. Plotseling gingen ze allemaal staan, op hun stoelen. Er werd geklapt, hard en lang. Het was blijkbaar afgelopen. Ik glimlachte. „Dank u wel”, riep ik, „dank u, dank u wel.”

„We want more!” brulde de zaal. Vooruit. Ik zou nog een dansje voor ze doen, een toegift, iets echt grappigs dit keer. Wat was er leuk? Op dat moment voelde ik ineens dat ik de bril van Tjalling nog steeds vast had. Natuurlijk. Ik zou dat dwaze brilletje gebruiken!

Ik klapte de bril open en zette hem op mijn neus. Op slag veranderde alles. In de zaal waren als bij toverslag alle gezichten kwaad en verwrongen, in plaats van blij en welwillend. „Boe!” hoorde ik. „Gore vetzak!” Er vloog iets tegen de zijkant van mijn hoofd aan; een slipper. En daarna een zweetsok. Voeten stampten op de grond, er werd gefloten.

Allemachtig. Was dít hoe Tjalling de wereld zag? Was hij daarom van huis vertrokken om met mij mee te gaan? Ik maakte dat ik wegkwam, van het podium af, terug de gang in. Ik was dik, lelijk en onhandig. Ik had een bril en stom haar en een accent. Niemand vond me aardig. Ik schaamde me rot. De geluiden vanuit de zaal achtervolgden me heel de lange gang door.