Het nationalisme van Geert Wilders is on-Nederlands

De kern van onze open en tolerante identiteit is een ontspannen natiebesef, vindt Dick Pels. In het debat over de dubbele nationaliteit wordt dat vaak vergeten.

Het uur van de waarheid heeft voor de nieuwe coalitie sneller geslagen dan verwacht. Een weekje nadat dit ‘gezellige’ kabinet op het bordes van Paleis Noordeinde stond, wordt het door Geert Wilders al in zijn achilleshiel geraakt.

Volgens peilingen steunt niet alleen 86 procent van de VVD-kiezers, maar ook 58 procent van de CDA-kiezers en zelfs 30 procent van de PvdA-kiezers hem in zijn kritiek op het dubbele paspoort van Aboutaleb en Albayrak. Het CDA zou in Kamerzetels gerekend zes zetels verliezen, de PvdA vijf.

Alle goede sociale bedoelingen en de beloofde ‘open geest’ naar de wereld ten spijt, het gemeenschapsdenken in het regeerakkoord laat nu al zijn risicogrens zien: die van het spruitjesnationalisme.

Die grens wordt door Wilders handig opgezocht en geëxploiteerd. De nadruk op geborgenheid in eigen taal en cultuur glijdt gemakkelijk af naar een vorm van ‘volks’ denken waarin het Nederlanderschap tot een alles-of-niets-kwestie kan worden opgeblazen. Nationaliteit staat gelijk aan loyaliteit. De natie wordt beschouwd als één grote familie, met bloedverwantschap als modelbinding (denk aan de centrale plaats van het gezin), een harde scheidslijn tussen ‘volkseigen’ en ‘volksvreemd’, en een eerstgeboorterecht van inlanders op het eigen erf en erfgoed.

Die vorm van bloed-en-bodem-nationalisme is zonder meer on-Nederlands te noemen. Een ontspannen natiebesef is altijd de kern geweest van onze open en tolerante identiteit.

Huizinga zei het al: de soberheid en bescheidenheid van ons nationale zelfgevoel is een ‘volksdeugd van zuiver kaliber’, die nauw samenhangt ‘met ons openstaan voor de erkenning van de waarde van het vreemde’. Gemengde gevoelens over het lieve vaderland zijn voor Nederlanders dus betrekkelijk normaal. Het Nederlanderschap is geen diepe essentie, geen ja-of-nee-kwestie, maar een dynamisch, veelkleurig en omstreden iets wat voortdurend vreemde elementen in zich opneemt en zich daarmee verrijkt. Terecht riep Albayrak enkele jaren geleden: „Wij zijn Nederland!”

Van de VVD weten we sinds de harde Integratienota van 2004 dat iemand afstand moet doen van zijn oude nationaliteit als hij Nederlander wil worden. Die opvatting werd door Rutte in het debat over de regeringsverklaring herhaald. Hij ging zelfs zover te zeggen dat het Albayrak had „gesierd” als zij haar Turkse paspoort zou hebben ingeleverd. Het CDA heeft deze VVD-lijn in de afgelopen jaren altijd gesteund, en deed dat gisteren ook. Het is dan ook hypocriet dat CDA-Kamerlid Sterk Wilders ervan beschuldigde ‘platte politiek’ te bedrijven. Nog in 2003 diende dezelfde Sterk samen met Hirsi Ali (VVD) en Nawijn (LPF) een motie in om de dubbele nationaliteit voor de derde generatie te verbieden: „Wanneer is een Nederlandse Marokkaan of een Marokkaanse Nederlander eigenlijk gewoon Nederlands?” Zou zij die vraag nog eens tegenover staatssecretaris Aboutaleb willen herhalen?

De houding van het CDA rondom de Nederlandse nationaliteit is dus minstens dubbelzinnig. Hetzelfde geldt voor de ChristenUnie, die het afschaffen van de dubbele nationaliteit prominent in het verkiezingsprogramma heeft staan. De PvdA zit plotseling klem tussen kabinet en fractie.

Denk nog eens aan de frontale botsing tussen Balkenende-II en de linkse oppositie in het afsluitende debat over het integratierapport-Blok in augustus 2004, vooral die tussen VVD-minister Verdonk en PvdA-leider Bos. Diens stelling dat de culturele en etnische vermenging doorging, en dat hybride identiteiten en dubbele loyaliteiten nu eenmaal hoorden bij een moderne pluriforme samenleving, kwam hem te staan op de beschuldiging dat hij het multiculturalisme op een demagogische wijze in een nieuw jasje stak. Het koesteren van een dubbele nationaliteit kwam volgens Verdonk neer op „een keuze tegen Nederland… Het Nederlanderschap is de hoofdprijs.”

Het CDA stelde in dat debat nogmaals dat het bezit van een dubbele nationaliteit aantoonde dat de betrokkenen niet waren geïntegreerd. GroenLinks meende dat men zich heel goed verbonden kon voelen met meerdere culturen en landen, zonder dat dit leidde tot disloyaliteit aan Nederland. D66 vond zelfs dat iedereen eigenlijk een dubbele nationaliteit zou moeten hebben: de Europese en daarnaast de nationaliteit van de eigen lidstaat.

Opvallend genoeg stonden in het debat van gisteren de fracties van GroenLinks, D66 en de PvdA opnieuw tegenover de oude ‘fortuynistische’ coalitie van CDA-VVD, aangevuld met de CU en de PVV. Met dit pijnlijke verschil dat Bos nu naast Balkenende zat, en dat hij zijn premier hoorde zeggen dat het kabinet natuurlijk doorging met het wetsvoorstel over de beperking van de dubbele nationaliteit, maar dat formeel wilde „separeren” van het debat over de twee bewindspersonen.

Opvallend was ook dat SP-leider Marijnissen enkele dagen eerder in deze krant had gezegd dat het goed was als nieuwe migranten zouden kiezen voor één nationaliteit – een mening die hij in het debat niet herhaalde.

PvdA-fractieleider Tichelaar onderstreepte echter dat een dubbele nationaliteit noch in dit concrete geval noch in het algemeen een loyaliteitsprobleem opleverde. Met een citaat van voormalig eurocommissaris Louis Michel bepleitte hij zelfs het recht van mensen „om zich verschillende wortels toe te eigenen…Waarom moet een persoon zijn eerste nationaliteit verliezen om de verwantschap met een ander land te bekrachtigen? Persoonlijk vind ik dat een beperking van de persoonlijke vrijheid.”

Wat nu, PvdA? Bos kan niet zonder goed fatsoen in een kabinet blijven zitten dat een antiliberale en nationalistische nationaliteitswet doorzet, die nieuwkomers en hun in Nederland geboren kinderen tot een of/of keuze dwingt, omdat ze in de woorden van VVD-leider Rutte „wél even moeten weten in welke traditie wij hier bestaan”.

In diens visie, en die van Verdonk en Wilders, zijn nationale identiteit en loyaliteit exclusieve en ondeelbare eigenschappen. Maar een moderne democratie wordt niet gekenmerkt door een dergelijke nationalistische ‘eenheidswoede’. Zij bestaat juist bij de gratie van prettige verdeeldheid, respect voor verschil, en een positieve omarming van de gemengde gevoelens die daar bij horen. Het idee van een ondeelbare loyaliteit aan volk en vaderland is in het kosmopolitische Europa en de grenzeloze wereld van het internet net zo lachwekkend als een ondeelbare soevereiniteit.

Nationale trots is een groot woord voor een klein en soms niet zo fijn landje als het onze. De kracht van het Nederlandse volkskarakter schuilt juist in een zekere bescheidenheid over onze nationale waarden en verworvenheden, die ruimte biedt aan het meningsverschil over wat die waarden en verworvenheden eigenlijk zijn.

Wat ons bindt is het prettige idee dat er niet zoveel is wat ons bindt. Niet de zekerheid over een harde nationale kern, maar juist een onzeker idee van Nederland is het beste uitgangspunt, zowel voor de integratie van vreemde culturen in onze samenleving, als voor de integratie van onze eigen cultuur in het grotere verband van Europa en de wereld. Een zwak voor Nederland is meer dan genoeg.

Dick Pels is socioloog en auteur van ‘Een zwak voor Nederland’.