Het kabinet van Gods onmisbare zegen

Met de fractievoorzitter van het CDA had ik tijdens het debat over de regeringsverklaring eigenlijk vooral te doen. Dan ben je woordvoerder van de grootste coalitiepartij, je eigen kabinet is de hemel in geprezen, Balkenende zit bovendien vlak naast je – dus wat kan je gebeuren? En toch transpireren als een scholier die naar voren is geroepen voor z’n eerste overhoringsbeurt. Terwijl je thuis alles tot in de puntjes had voorbereid!

Natuurlijk, het was z’n maagdenrede, en hij is nou eenmaal niet als een begenadigd redenaar geboren. Daarom had hij de avond tevoren waarschijnlijk speciaal het begrip ‘tulpenmodel’ verzonnen, waarvan hij had verwacht – dat kon je van z’n steeds roder wordend gezicht aflezen – dat het in de Kamer zou inslaan.

Maar het woord kwam na de lancering nauwelijks van de grond, en toen hij ter verduidelijking ook nog de zeventiende eeuwse tulpenhandel aan de metafoor toevoegde, moet zelfs de welwillendste toehoorder het spoor zijn kwijtgeraakt.

Later had hij het, dichter bij algemeen Haags spraakgebruik, nog een keer over ‘een betrokken overheid’.

Een betrokken overheid – wat moet een mens zich daar in ’s hemelsnaam bij voorstellen?

Je kunt volgens mij spreken van een betrokken minister als bijvoorbeeld Plasterk iets over het onderwijs heeft verklaard, en je wilt de naam in een volgende zin niet herhalen, zoals je Utrecht in een volgende zin altijd liever de Domstad noemt. Je kunt ook zeggen dat de lucht boven het Binnenhof die dag erg betrokken bleef. Of dat Marijnissen voor zijn doen slecht op dreef was, en er ook betrokken uitzag.

Maar met ‘een betrokken overheid’ zou je in terugverwijzende zin alleen maar met goed fatsoen een overheid kunnen bedoelen, die weigert te vertellen waarom ze ooit politieke steun aan de Amerikaanse inval in Irak had betuigd. En dat bedoelde Pieter van Geel absoluut niet.

Irak was trouwens weggelegd voor Jacques Tichelaar. Die begon vechtlustig, volks en fideel te erkennen dat zijn partij bij de formatieonderhandelingen een parlementaire enquête inzake Irak, tot zijn diepe spijt niet had ‘binnengehaald’. Tja, zo gaan die dingen. Jammer. De Partij van de Arbeid had het been natuurlijk stijf kunnen houden, en er zelfs een halszaak van kunnen maken – maar waarom zou dat hebben gemoeten? Iedereen weet toch precies dat de vorige Balkenende ook graag was blijven likken als Bush tien hielen had gehad? Die onderste steen was toch allang boven?

Maar uit het interruptiedebatje begreep ik dat ik daar nooit zo lichtvaardig over had mogen denken. Marijnissen (beetje betrokken), Halsema en het kereltje Pechtold (wiens partij de liefde voor Bush drieënhalf jaar lang trouw heeft gedeeld) bezwoeren in koor hoe laag, hoe immoreel, hoe oneerbaar en hoe schaamteloos het van Tichelaars partij was geweest om juist dát principe te verkwanselen. Als de gesmeerde bliksem herzag ik dus mijn mening, ik pakte gauw ook nog even Les mains sales uit de kast, en riep verwijtend naar mezelf: Non récupérable!

Eindigde de verwerpelijke Tichelaar overigens retorisch gesproken als kampioen van de dag?

Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik aarzelde tussen hem en Geert Wilders, en dan praat ik dus niet in de morele termen van de vrijzinnig-linkse oppositie, maar gewoon als recensent die na een avondje schouwburg een rol evalueert.

Wel kreeg ik bij het optreden van de assertieve spreker ineens een visioen van de dag waarop Nederland de democratie moet afschaffen om te verhinderen dat de PVV langs democratische weg de meerderheid zou dreigen te halen.

Maar zo ver zijn we gelukkig nog niet. Aan het eind van zijn bijdrage hoorde ik Arie Slob het hele vak K Gods onmisbare zegen toewensen, en ik besefte: verdomd, dát is het nieuwe kabinet.