Geen man om van te houden www.nrc.nl/leesclub

De nieuwe roman van Connie Palmen is een sleutelroman over de ondergang van een componist. Het boek roept tal van vragen op.

Connie Palmen: Lucifer. Prometheus. 352 blz. € 19,95

‘Het staren naar pilaren, het bejubelen van de relikwieën van gruwelen, het kwelen bij kastelen, het kijken naar oude lijken, het duurt mij allemaal veel te lang.’ Aan het woord is Connie Palmen, bepaald dichterlijk gestemd, in een van de beschouwingen in Als een weke krijger (2005), een bundel met verspreid werk. Ze maakt duidelijk dat zij geen reizigster is. Al die pilaren, relikwieën, kastelen en oude lijken boeien haar totaal niet. Wel is ze altijd bereid om met iemand mee te reizen, naar willekeurig welk oord, bij wijze van vriendendienst. Maar een plek gaat voor haar pas leven, zo legt ze uit, als hij ‘leesbaar’ is, als er een verhaal over verteld kan worden.

Als romanschrijfster is Palmen al evenmin een kijker, maar eerder een lezer, een denker. Zij brengt beweegredenen en zielenroerselen in kaart, is geïnteresseerd in menselijke relaties en in eigen en andermans drijfveren. Tot dusver schreef zij vooral over haar eigen ervaringen. Haar studententijd, haar liefdes, haar leraren, haar vriendschappen, haar geboortedorp, haar katholieke afkomst, haar vader, moeder en broers en haar jaren met Ischa Meijer. Haar handelsmerk: de korte, krachtige, indringende zin, waarin vaak een zelfbewuste ik-figuur aan het woord is. Die merkt dan bijvoorbeeld op: ‘Kranten lees ik nooit, ik blader er wat doorheen.’ Of: ‘Het leven had mij nodig. Zonder mij bleef het nergens.’ Het zijn zinnen uit haar debuut De wetten (1991), die getuigen van een dartele, en ook wel wat parmantige levensinstelling.

In Lucifer, haar nieuwe, zesde roman, wijkt ze enigszins af van het bekende, autobiografische stramien. Weliswaar opereert ze ook deze keer vanuit een intellectueel Amsterdams milieu en zijn de beschreven gebeurtenissen lang niet allemaal aan haar eigen fantasie ontsproten, maar zelf komt ze er niet al te prominent in voor. Zij is de naamloze schrijfster die in het begin en aan het eind van het boek opduikt om stof te verzamelen voor de door haar te schrijven roman Lucifer.

Het verschil met haar andere boeken is dat Palmen hier niet zelf spreekt, of althans niet namens zichzelf, maar een luisterend oor biedt aan anderen. Het is een passieve rol die haar niet zo goed ligt en die er in elk geval voor zorgt dat haar zinnen vlakker, beschrijvender en saaier zijn dan anders, en trouwens ook veel omslachtiger. In een kennelijke behoefte zoveel mogelijk gevoelsnuance aan te brengen, noteert ze over een van haar personages bijvoorbeeld: ‘Met een lichte opwinding die hij verwelkomt omdat ze hem zijn groeiende misselijkheid doet vergeten, loopt hij naar Jacoba toe.’

Palmen stelt zich in Lucifer dienstbaar op door zich in anderen te verdiepen. Hoofdpersoon is de roemruchte componist Lucas Loos, in het echte leven Peter Schat (1935-2003), van wiens veelbewogen leven en werk een indruk wordt gegeven aan de hand van diverse uitspraken van vrienden en bekenden. Vooral concentreert zij zich op een dramatische episode uit dat leven: het ongeluk dat zijn vrouw Clara Wevers (in het echt Marina Schapers) noodlottig werd. In de zomer van 1981 hielden Lucas, Clara en hun zoon Quint vakantie op het Griekse eiland Skyros, in een villa aan de Egeïsche Zee. Tijdens een drankovergoten nacht verloor Clara haar evenwicht toen ze op het muurtje zat dat het terras van de villa scheidde van de afgrond. Ze viel en was op slag dood.

Deze plek, compleet dus met een, oneerbiedig gezegd, nog niet al te oud lijk, heeft Palmen proberen ‘leesbaar’ te maken door er een verhaal, of liever: verschillende verhalen over te vertellen. De hamvraag die in de roman steeds opnieuw gesteld wordt: wie of wat veroorzaakte deze val? Was het domme pech? Of pleegde Clara zelfmoord? Kreeg zij een duwtje van Lucas? Liet hij haar vallen, terwijl hij haar misschien nog bij een enkel had kunnen grijpen? Was het een vorm van zwarte magie? Had hij misschien wel een creatief belang bij haar dood, omdat die hem in staat stelde een doorleefd requiem voor haar te schrijven en een happening te maken van haar begrafenis? Veel vragen, geen duidelijke antwoorden.

Net als Vondel, die in 1654 een treurspel schreef over de gevallen engel Lucifer, verdeelde Palmen haar hedendaagse Lucifer in vijf ‘bedrijven’. In die vijf bedrijven wordt van alles verteld over Lucas Loos, zonder dat we een duidelijk beeld van hem krijgen. Hij had een heftig temperament, waardoor hij mettertijd gebrouilleerd raakte met componisten, schrijvers en journalisten. Hij vond een klank- of toonklok uit, waarmee hij alle problemen in de hedendaagse muziek opgelost meende te hebben. Maar in de praktijk kreeg zijn nieuwe harmonieleer weinig navolging en verzandde zijn kunstenaarschap in een eenzaam avontuur. Hij zag eruit, aldus Palmen, als ‘een woeste engel’, met zijn goudgelokte krullen en zijn ‘albinowitte wimpers’. Hij was flamboyant en geestig, maar ook ‘cholerisch, hovaardig en nijdig’. Hij leefde samen met Clara, maar viel op jonge mannen. Een tragische figuur wellicht, maar zo te zien niet iemand om van te houden.

Hetzelfde geldt voor Clara, die ‘een gekwelde engel’ wordt genoemd. Een schimmig personage. Ze bleef Lucas trouw, al bedroog hij haar steeds opnieuw en al hield ze niet van zijn muziek. Clara moest het vooral hebben, zo begrijp ik, van haar ‘overweldigende schoonheid’, haar ‘goddelijke figuur’, haar ‘geelbruine teint’, haar ‘slaapkamerogen’, haar ‘perfecte kaaklijn’ en van het geld en het huis op de Wallen dat ze van haar rijke vader kreeg. Of ze zelf ook iets deed voor de kost, wordt in Lucifer niet duidelijk, maar misschien is het mij in de wirwar van feiten en veronderstellingen ook wel ontgaan. Clara schreef zestien vuilniszakken met dagboeken vol, die na haar dood werden verbrand. Volgens haar beste vriend Robin klonk er een klagerige en humorloze vrouw uit op, die eigenlijk maar in één ding goed was: in afvallen.

Lucifer is een sleutelroman. Dat zou wel eens voor veel lezers de charme ervan kunnen zijn. Komt Lucas Loos enigszins overeen met het overgeleverde beeld van Peter Schat? Wie zijn al die vroegere vrienden met wie hij aanzat aan ‘De Tafel’ in ‘De Kring’ en die hier zo uitgebreid aan het woord komen? ‘De Prins’, die veelvuldig in het stuk voorkomt en die een libretto schreef bij een opera van Lucas, is dat misschien Komrij? Maar die heeft toch, anders dan deze Prins, geen vrouw? Is Bubi de Vos W.L. Brugsma, die Boebi werd genoemd? Maar die was journalist en geen musicus. De elegante pijproker Aaron Keller is ongetwijfeld Harry Mulisch en in diens ‘aartsvriend’ Otto Ketting herkennen we moeiteloos Hein Donner. Enzovoort.

Een andere vraag die zich opdringt: wie is nu eigenlijk de Lucifer uit de titel? Is Clara de gevallen engel? Of toch Lucas, die een symbolische val maakte uit zijn zelfgeschapen muzikale hemel? Of nog eerder Connie Palmen zelf, die hier als schepper de strijd aangaat met God? In de roman is op zeker moment sprake van de demonische aard van de literatuur. ‘Ze liegt en bedriegt, verfraait en verdicht, en toch overtreft ze in al haar leugenachtigheid de werkelijkheid in waarheidsgehalte.’ Toch hebben al die verfraaiingen en verdichtingen mij nog niet erg weten te overtuigen van het waarheidsgehalte van deze roman over Peter Schat, of van de dramatische noodzaak ervan. Hij blijft er zo’n beetje tussenin hangen, tussen literatuur en werkelijkheid, tussen treurspel en dorpspomp.

In maart discussieert de Leesclub over ‘Lucifer’ van Connie Palmen. De recensie van Janet Luis is tegelijkertijd de eerste bijdrage in de discussie. De volgende bijdrage verschijnt over twee weken, op 16 maart.