Een hongerstaker die zijn dwangvoeding eist

In Guantánamo Bay brengt Arnon Grunberg ook een bezoek aan het ziekenhuis. Dr. K. leidt hem rond en vertelt hem alles over de dwangvoeding aan hongerstakers. Deel 5 van een serie.

Een kleine tien minuten krijgen wij om de meegaande gevangenen op Guantánamo Bay (Gitmo) fotograferen. Ze storen zich er nauwelijks aan. Stoïcijns gaan ze achter het prikkeldraad hun gang.

Jim, in burger maar werkzaam voor het leger, staat naast ons om te voorkomen dat we dingen fotograferen die niet gefotografeerd mogen worden. Er is veel dat niet gefotografeerd mag worden. Bijvoorbeeld: de kustlijn.

Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat Al Qaida een poging zal wagen op Gitmo te landen in de hoop operatie Entebbe te doen verbleken. Maar het Amerikaanse leger houdt rekening met onwaarschijnlijkheden.

Ter plekke word ik verzocht een aantal foto’s verwijderen. Maar later wil Jim de foto’s nog op een laptop bekijken, om ze te kunnen vergroten. Net als een romanschrijver is Jim verzot op uitvergrote details. Soms zal blijken dat de foto bij nader inzien toch nog weg zal moeten. Dan weer zal Jim grootmoedig zeggen: ‘De linkerhelft van de foto mag je bewaren.’

Tegen mij roept Jim opeens: ‘Waarom heeft jouw krant geen aparte fotograaf gestuurd?’

De collega van de Toronto Star is met een eigen fotograaf gekomen.

„Ik doe dit soort dingen altijd alleen”, zeg ik.

„Zijn ze arm, Arthur”, wil Jim weten. „Is jouw krant arm?” (Jim noemt mij Arthur.)

„Ik heb niet de indruk dat ze superrijk zijn”, zeg ik.

Jim pakt mijn fototoestel. Hij weegt het in zijn hand en knijpt er een beetje in als ging het om een perzik die bevoeld moet worden op rijpheid.

„Dat is heel klein fototoestelletje, Arthur”, zegt Jim. „Is dat van de krant?”

„Nee”, zeg ik, „dat is van mij.”

„Dan moeten we er extra voorzichtig mee zijn”, verklaart Jim.

Jim neemt de chip van mijn fototoestel in beslag omdat mijn laptop in mijn hotelkamer ligt en hij de foto’s dus niet kan uitvergroten.

„Als je morgen je laptop meeneemt”, zegt Jim, „krijg je je chip terug.”

Ik heb mijn best gedaan me beleefd en meegaand op te stellen, toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Jim me wil intimideren. Ik moet toegeven dat hem dat gelukt is.

Een half uur later trillen mijn handen nog zo dat ik geen aantekeningen kan maken.

Maar het programma snelt voort. Alles in zo’n gevangeniskamp is een machine, ook de bezoekende journalisten zijn onderdeel van die machine.

We zijn in het ziekenhuis beland. Een team van artsen staat om ons heen.

Het woord voert dokter K. Zo noem ik hem voor de zekerheid. Er is geen eenduidig beleid op Gitmo welke militairen alleen met rang, welke alleen met voornaam, en welke met naam en toenaam mogen worden aangeduid. Om het zekere voor het onzekere te nemen, mijn aantekeningen laten me hier in de steek, laat ik het bij dokter K.

Dr. K zegt: „De medische verzorging is hier uitstekend. De gevangenen krijgen betere medische verzorging dan de gemiddelde Amerikaanse staatsburger.”

Ik weet niet of dr. K dit ironisch bedoelt, gezien het feit dat medische zorg niet toegankelijk is voor alle Amerikaanse burgers.

Het aantal medicijnen dat per dag wordt uitgedeeld, wordt genoemd, maar dat aantal is nietszeggend omdat er niet bij wordt vermeld om wat voor medicijnen het gaat.

Dr. K gaat verder: „Er is zelfs een afdeling radiologie in het ziekenhuis, er is alleen geen radioloog. De foto’s sturen we naar het vasteland.”

„Kunnen gevangenen medische zorg weigeren?” informeer ik.

„Zeker”, zegt dr. K. „Zolang ze zichzelf, andere gevangenen of de bewakers maar niet in gevaar brengen.”

Het gesprek komt op de hongerstakers.

Er zijn twee gevangenen die al zestien maanden in hongerstaking zijn.

Ze worden door de neus gevoed, zodat het voedsel rechtstreeks in de maag komt.

Dat gebeurt twee keer per dag. De procedure duurt vijftien tot vijfenveertig minuten.

„Het is geen pijnlijk proces”, zegt dr. K.

Volgens The New York Times kan dwangvoeding door de neus onaangenaam en soms ook pijnlijk zijn.

Dr. K houdt een slangetje omhoog en zegt: „Dit is het slangetje waarmee de hongerstankers worden gevoed. Het is niet gebruikt. Willen jullie het vasthouden?”

Ik houd het slangetje in mijn handen. Ik schat dat het een diameter heeft van ongeveer één centimeter.

Mijn collega’s willen het slangetje niet vasthouden, daarom blijf ik er noodgedwongen mee spelen tot dr. K zich er weer over zal ontfermen. Ik neem aan dat we het niet als souvenir mee naar huis mogen nemen.

„Klopt het dat sommige artsen geweigerd hebben dwangvoeding toe te dienen omdat ze dat niet in overeenstemming vonden met de eed die ze hebben gezworen?” vraag mijn collega Damien.

„Dat is juist”, zegt dr. K. „Deze artsen zijn overgeplaatst. En ze zijn voor hun weigering niet gestraft.”

Volgens berichten in onder andere The New Yorker zijn artsen ook betrokken geweest bij de verhoren. Het is in ieder geval zeer waarschijnlijk dat de ondervragers de beschikking hadden over de medische dossiers van de gevangenen.

Dr. K legt uit dat de hongerstakers ook door psychologen worden bezocht en dat ze iedere dag opnieuw de keuze hebben om gewoon te eten. Twee keer per kunnen ze kiezen tussen voedsel en de slang die ik nog altijd in mijn hand heb.

„Proberen de psychologen de gevangenen ervan te overtuigen dat ze moeten ophouden met de hongerstaking?” informeer ik.

Dr. K wil antwoorden maar hij krijgt de kans niet. Een hogere officier snoert hem de mond en zegt: „Het is onze taak niet de gevangenen van wat dan ook te overtuigen. Het is onze taak de gevangenen op een veilige en menselijke manier in leven te houden.”

Dr. K zegt: „We weten niet of de beslissingen van de gevangenen op vrijwillige basis zijn genomen of dat ze worden gedwongen door andere gevangenen. Maar neem bijvoorbeeld de gevangenen die al zestien maanden in hongerstaking zijn, die klagen zelfs als we te laat met de dwangvoeding zijn omdat ze honger hebben.”

„Is dat niet een beetje onlogisch?” vraag ik. „Een hongerstaker die klaagt dat hij honger heeft en zijn dwangvoeding wil.”

Dr. K aarzelt even. „Ja”, zegt hij, „dat is onlogisch.” En na een kleina pauze: „Maar de mens is soms onlogisch.”

Een jonge psycholoog neemt het van Dr. K over.

„De psychologische problemen die we tegenkomen bij de gevangen zijn niet anders dan de problemen die we bij de gewone bevolking in de VS zien: aanpassingsproblemen en depressies. De klachten van de gevangenen volgens het statistisch model dat geldig is voor de hele VS.”

De jonge psycholoog wacht even en zegt dan: „Ik ben hier nog maar net, dus ik kan eigenlijk niet veel meer vertellen.”

(wordt vervolgd)

Lees vorige afleveringen op www.nrc.nl/kunst