Een hond die tegen je opspringt

Zo invoelend als Marc Kregting over poëzie schrijft, zo onbarmhartig heeft hij het over de literaire wereld.

Marc Kregting: Laden en lossen. Vantilt, 317 blz. € 19,90

Dichter Marc Kregting is een paar jaar uitgeverijredacteur geweest; verscheidene auteurs die door hem begeleid zijn heb ik zijn zorgzaamheid en zorgvuldigheid bij de totstandkoming van boeken horen prijzen. Wie zijn verzameling essays over poëzie Laden en lossen leest verbaast zich daarover niet. Kregting kan prachtig invoelend en indenkend gedichten lezen, elke schrijver zou wensen dat zo iemand met hem mee las. Hij kent de Nederlandse poëzie goed, maar weet ook het een en ander over sport, popmuziek, filosofie, politiek. En hij durft al die kennis te gebruiken, zodat in een essay over Frida Vogels de naam van Maradona opduikt en Pierre Bourdieu een stuk over Hans Kloos komt verzwaren.

Hij volgt zijn dichters graag, zelfs gretig, in elke richting die zij gaan. Als Mustafa Stitou in een bijzin wijst naar een publicatie over de Soemerische cultuur gaat Kregting dat boek opzoeken en napluizen. Stitou is nu eenmaal een dichter die gretig uit alle bronnen drinkt en zo, door met hem mee te drinken, leert Kregting ons hem kennen. Bij Gertrude Starink daarentegen gaat het om iets heel anders, de fugatische motievenstructuur: dus legt hij zich erop toe die te doorgronden. Prachtig, hoe hij dwaalt door haar spiegelpaleis. De beste essays lijken eigenschappen van de besproken boeken in zich op te nemen.

Aan enige canon heeft Kregting nadrukkelijk geen boodschap: de essays gaan over de usual suspects in de Nederlandse poëzie, Kees Ouwens, Esther Jansma, maar vaker over dichters die gewoonlijk de uithoeken van het poëzielandschap gesitueerd worden: Lidy van Marissing, Jozef Eijckmans, Henny Vrienten. Hij laat zich zelfs ontroeren door een willekeurig poëziealbumversje. Bij ‘een plakplaatje van een zwaaiende persoon op bromfiets.’ heeft een moeder geschreven:

Dag lieve jongen, wuif je me na

als ik straks met de brommerd ga?

waarbij Kregting, indringend lezend en uitbundig interpreterend, veronderstelt: ‘De ‘brommerd’ kon evengoed de god uit de bijbel zijn. De moeder stelde zich voor voor dat ze na haar dood verkering met Hem krijgt.’

Deze leesavonturen zijn zelden droog of koel, elke inval, uithaal en associatie mag mee, malle woorden of zegswijzen: ‘resem’, ‘schobt zich’. De neiging om gewone dingen ongewoon te zeggen heeft een dubbel effect: van het taal- en leesplezier dat de auteur uitstraalt word ik enthousiast, maar tegelijk raak ik de draad kwijt bij zoveel lol. De stijl lijkt op een hond die almaar tegen de bezoeker op blijft springen: ‘Leuk dat je er bent!’ en niet snapt dat het ook gezellig blijft als ‘ie in de mand gaat liggen. De essayist Marc Kregting had soms de redacteur Marc Kregting kunnen gebruiken.

Meestal beperken poëziebesprekers zich tot de tekst zelf, maar Kregting heeft ook aandacht voor de manier waarop dichters in ‘het literaire veld’ staan, hoe hun werk gepercipieerd wordt, hoe zij zelf aan die perceptie bijdragen. Die belangstelling heeft ongetwijfeld te maken met zijn uitgeefverleden. Daaraan bewaart hij geen goede herinneringen. Hij werkte bij Meulenhoff toen dat huis in de onrustigste periode van zijn bestaan verkeerde en ondervond hoezeer het in de letterenwereld om andere dingen gaat dan om mooie boeken. Het heeft hem zo gestoord dat hij twee jaar geleden een woedend pamflet schreef over de manier waarop uitgevers te werk gaan: Zij zijn niet van Jeremia, grotendeels gebaseerd op eigen belevenissen. De boekenbranche wordt geschetst als een dolgedraaid roddelcircuit waarin alle actoren zich belachelijk of kwaadaardig gedragen. Alles staat in het teken van omzet, en die moet bereikt worden door pr; het kind van de rekening is de inhoud, de literatuur zelf. Het is waar, er is veel voosheid en vertoon in de letteren. Ook ik word treurig als de glanscatalogus van mijn eigen uitgeverij met een doffe dreun achter de brievenbus valt, aankondigend een schier oneindige reeks ‘schrijnende’ of ‘onthutsende’ meesterwerken van ‘belangrijkste vertegenwoordigers’ van dit of dat. Kregting portretteert de taal en de opbouw van dit soort catalogi scherp en geestig.

De schrijver verdient respect voor de moed waarmee hij een klokkenluidersrol op zich wilde nemen. Toch is Zij zijn niet van Jeremia geen geslaagd boek, als aanzet tot een discussie is het zelfs totaal mislukt. Dat komt gedeeltelijk de manier waarop het geschreven is: de enthousiaste stijl van Laden en lossen kookt hier over. Grappen van schoolkrantniveau: het boekenvak is onder invloed van de chinese filosofen Hek Tiek en Poe Ha!

Voor Tilly Hermans en Wil Hansen, Meulenhoffredacteuren die vertrokken en belangrijke auteurs ‘meenamen’ heeft hij geen goed woord over. Okee, dat is een opvatting, maar het werkt averechts als je élke zin over hun doen en laten vol laadt met hoon: iemands eerste boek ‘kwam tot stand in een tijd dat Hermans en Hansen al helemaal door hun noblesse werden geoccupeerd, de debutant moest het expliciet stellen met freelancers en stagiaires.’ Dat sarcastische ‘noblesse’! De stijl is hier geen enthousiaste viervoeter, maar een oude kettinghond met een zere bek, die tegen elke voorbijganger woedend huilt en blaft, en als er niemand langskomt tegen de maan.

Zij zijn niet van Jeremia heeft een nog ernstiger bezwaar: kritiek op productiemethoden krijgt pas kracht als het aantoonbaar mis is met de output, in dit geval de boeken. Voor Kregting lijkt dat een premisse, hij doet geen moeite het specifiek aan te tonen. Maar zo duidelijk is de situatie toch niet. Onlangs herlas ik een paar boeken uit de zeventiger jaren, toen Poe Ha en Hek Tiek nog niet heersten in de uitgeefwereld. Schandelijk vertaald! Slecht geredigeerd! Miserabel gebonden! Zo belabberd kom je het heden ten dage nauwelijks tegen, dus blijkbaar doen de borrelende, roddelende, pr-ende uitgevers iéts goed. Veel goedverkochte literatuur is het papier niet waard waarop het gedrukt staat, toegegeven, maar is dit ooit anders geweest? Daarnaast is er nog altijd ruimte voor het levend experiment, proza van Nachoem Wijnberg of Marie Kessels. Dichters die iets bijzonders doen vinden altijd wel een uitgever.

Ongetwijfeld groeien er nieuwe problemen: de ‘levensduur’ van een boek in de boekhandel is bijvoorbeeld griezelig kort aan het worden, in het middelbaar onderwijs ‘verdampt’, aldus een educatieve uitgever, het lezen van literatuur.

Omdat het boek een zakelijke en overtuigende schets van de crisis aan de aanbodzijde mist krijgt Kregtings filippica trekken van een schijngevecht. Met grote inzet gestreden, dat wel. Want hij wilde in Zij zijn niet van Jeremia niet alleen tegen enkels schoppen en ‘rekeningen vereffenen’. Nee, uit zijn tekst spreekt oprechte wanhoop, gefrustreerde liefde eigenlijk. Hij zocht een wereld van zorgzaamheid en zorgvuldigheid en vond een baaierd van hectiek en poeha.

In Laden en lossen is meer innerlijke rust, maar de onvrede met het literair klimaat is groot. Een opstel over Hans Kloos waaiert uit in een lange meditatie over postmodernisme en het gebrek aan standpunt. ‘Illusie werd desillusie, hoop werd apolitieke, ik zou bijna zeggen regressieve berusting.’ Kloos:

ik heb me vaak afgevraagd

hoe ver we op onze ironie

zijn weggedobberd.

Hoe het wel moet? Kregting geeft geen programma, wat hem voor ogen staat is een soort debat met de werkelijkheid, met hart en ziel gevoerd. Engagement is voor hem in elk geval niet je dichterlijk met politiek bemoeien. De lyrische zanger Ramsey Nasr is sedert zijn stadsdichterschap van de stad Antwerpen steeds meer een openbare figuur geworden met opvattingen over alles , wat hem qua omzet en publicatiemogelijkheden geen windeieren oplevert. Volgens de auteur zelf is er geen probleem: ‘De meeste van mijn gedichten gaan over de liefde. Maar ik heb nog andere beroepen.’ Kregting, die Nasr precies en niet zonder bewondering leest, brengt de rolverschuiving echter fijntjes in verband met een tekst in 27 gedichten en Geen lied, Nasrs debuutbundel, over de oerlierzanger Orpheus. Hij laat zien hoe Nasr zijn poëtica ontrouw is geworden. De dichter wordt terechtgewezen in een prachtig Kregtingzinnetje, bizar, niet in een oogopslag te vatten, maar het blijft hangen: ‘Welbeschouwd moet taal van precies één mens halen en brengen.’

Marc Kregting: Zij zijn niet van Jeremia. Vantilt, 112 blz. € 12,50