De stilte voor Bach

Ik kwam het niet zo lang geleden weer eens tegen: het gedicht ‘De stilte van de wereld voor Bach’, van de Zweedse dichter Lars Gustafsson. Het is een klassieker, al ruim vijfentwintig jaar oud en ook al ruim twintig jaar beschikbaar in een Nederlandse vertaling, van Bernlef. Het wordt met een zekere regelmaat aangehaald, maar het was nu voor het eerst dat ik zag dat het een zondags gedicht was. Dat zal wel komen omdat het bij deze toevallige herlezing zondag was, en meteen ook een heel erg zondagse zondag: met langzame strijkmuziek uit de radio, gevolgd door gedempte gesprekken over kloosterlijke aangelegenheden en buiten een paar grote witte stil hangende wolken in een grote blauwe lucht. De slagboom van de meubelboulevard was nog niet omhoog, de risicowedstrijden waren nog niet begonnen, en in dat rare half gewijde tussenuur las ik weer even ‘De stilte van de wereld voor Bach’, dat rare half gewijde gedicht dat begint met de wat onnozele vaststelling dat er natuurlijk ook een tijd moet zijn geweest waarin de muziek van Johann Sebastian Bach (1685-1750) eenvoudigweg nog niet bestond: ‘Er moet een wereld bestaan hebben voor / de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur, / maar hoe zag die wereld eruit?’

Je zou denken dat die wereld er helemaal niet zo vreemd hoeft te hebben uitgezien, maar het mooie van het gedicht is

dat Gustafsson daar heel anders over denkt en ons dwingt mee te gaan in zijn gedachtengang. Er ontrolt zich een weids panorama van een groot afwachtend Europa, ‘een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank’. Er weerklinkt niets in al die grote zalen. Ze staan vol met ‘onwetende instrumenten / waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier nooit over een claviatuur waren gegaan.’ Gewone mensen zouden hier misschien stille muziekvertrekken zien, maar Gustafsson ziet vooral Bachloze, voorbachse, hoe moet je het noemen: nog niet door de geest van Bachmuziek bezochte, holle ruimten.

En hoe moeten de kerken er wel niet bij gelegen hebben, in die stille tijden avant Bach? Gustafsson neemt ons mee naar ‘eenzaam gelegen kerken / waar de sopraanstem uit de Johannes Passion / zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde / rond de mildere windingen van de fluit.’ Het is vreemd dat Bernlef in zijn vertaling de Johannes Passion opvoert (de dichter zelf heeft het over de Mattheus Passion), maar verder is het een mooi beeld van gemis: eenzame kerken zonder liefde.

En verder gaat het, in vogelvlucht, weg van de muziekzalen en de kerken, uitzoomend over ‘weidse zachtmoedige landschappen / waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn’. Geen vleugel, geen sopraan, geen fluit: in de prebachtijden was in de bossen alleen het eentonige gehak van houthakkers te horen, en dan ook nog eens van ‘oude’ houthakkers, vermoedelijk net een graad monotoner dan dat van jonge hakkers. En wat nog meer? ‘Het gezonde geluid van sterke honden in de winter’, ook niet bepaald een voorbeeld van hogere harmonie. En: ‘schaatsen klauwend in glansijs’, een regelmatig getik dat door Gustafsson met het geluid van een tikkende klok wordt vergeleken. Het is allemaal erg sfeervol, dat wel: een wereld van sneeuw, ijs, honden en schaatsers in de winter, en van ‘zwaluwen zwermend in de zomerlucht’ in de zomer. Het mondt uit in het beeld van het nieuwsgierige kind dat aandachtig luistert naar het ruisen in een schelp: beeld bij uitstek van een jonge, ontvankelijke wereld in gespannen afwachting van een nieuw geluid. Maar hij hoort nog niets, ‘nergens Bach, nergens Bach’, en hij moet dus nog blijven verwijlen in die voor ons, nabachers, onvoorstelbare bachloze stilte, de ‘schaatsstilte van de wereld voor Bach.’

Zo heeft zich, als in een langzaam muziekstuk, of een landschap van Breughel, een hele wereld voor ons ontrold. De toon is kalm en wijs en gedragen, als in een bezonken zondagse preek, maar toch met een droevige ondertoon van vergeefsheid: hier wordt een wereld opgeroepen die iets heel belangrijks mist, maar dat zelf niet weet. Als je wil kan je er erg diepzinnig of gevoelig over doen, over de wonderlijke gedachte dat er een wereld is geweest die Bach nog niet kende, maar tegelijk is er natuurlijk niets geheimzinnigs aan.

Er zijn zoveel werelden, vroeger en nu, die bestaan en bestaan hebben voordat iets anders er was. Er zijn nog duizenden van zulke gedichten denkbaar, over de stilte van de wereld voor Haydn bijvoorbeeld, of Satie, of Strawinsky. Of de stilte van de wereld voor Metallica. De stilte van de wereld voor de uitvinding van de klopboor, de koffiemolen en de knalpot. Welbeschouwd gaat het in het gedicht van Gustafsson om de simpele verbazing over dat iets er op een bepaald moment nog niet was. Je zou het de verwonderde tegenhanger kunnen noemen van het veel zwaardere besef, minstens zo vaak in poëzie te vinden, dat iets er op een bepaald moment niet meer is.

En welbeschouwd gaat er nog wel meer onzin schuil in het stemmige vers van Gustafsson. Alsof er niet ook al allerlei andere mooie muziek bestond voordat Bach muziek begon te maken. Alsof de mensen vroeger niet ook al uit zichzelf de mooiste muziek maakten – zingend of fluitend of in hun handen klappend. De radio was nog niet uitgevonden. Hilversum III bestond nog niet. En de iPod ook niet. En alsof er niet genoeg andere mooie geluiden te horen waren, stuk voor stuk van Bachniveau. Gustafsson noemt ze zelf: zwaluwzwermgeluiden, houthakkers in een bos, hondengeblaf in de verte, de regelmatige tik van schaatsers op zwart glanzend ijs. En, niet te vergeten, de stilte, de schaatsstilte – die nu juist door de muziek van Bach voorgoed verdwenen is.

De sfeer van heiligheid die om dit gedicht van Gustafsson heen hangt is alleen te begrijpen vanuit de heiligheid van Bach zelf. Hij is voor velen een regelrechte afgezant van het hogere, iemand die vaak verbleef in hemelse sferen en ze voor ons vertaalde in heldere muziek. De huiscomponist van God. De Mattheüs Passie wordt wel het evangelie volgens Bach genoemd. Een gedicht over de stilte van de wereld voor Bach is dan ook bijna een gedicht over de goddeloosheid van de wereld voor de komst van Christus. Er ligt een christelijk schema aan het gedicht van Gustafsson ten grondslag: het schema van een wereld in afwachting van iets groots, de komst van de verlosser. Een zondags gegeven.