De moraal van de tekentafel

Om het fundamentalisme de wind uit de zeilen te nemen, pleit filosoof Paul Cliteur voor een rigoureuze scheiding van geloof en ethiek. Maar is zoiets wel mogelijk?

Paul Cliteur: Moreel esperanto. Naar een autonome ethiek. De Arbeiderspers, 428 blz. € 22,50

Zoals vele anderen in ons land maakt Paul Cliteur, rechtsfilosoof te Leiden, zich zorgen over wat religieus geweld heet, toegespitst geformuleerd: door religie geïnspireerd geweld. Waar komt het vandaan, en hoe komen we ervan af, daarover gaat zijn nieuwe boek Moreel esperanto. De drie hoofdthema’s zijn achtereenvolgens: de goddelijke-bevelstheorie (term van Cliteur), de autonome moraal als tegeninstantie, en tenslotte de religieus neutrale staat.

Je kunt Cliteur wat de teneur van het boek betreft bijvallen, en toch het gevoel overhouden dat er iets aan schort. Waar ligt dat aan? Niet aan zijn nauwelijks te missen (en terechte) irritatie over uitlatingen van pretentieuze christenen. Volgens Knevel komt het niet goed met een mens zonder het kompas van het christelijke geloof, en aan kardinaal Simonis ontsnapte ooit de uitspraak dat hij geloof nodig had, anders zou hij de vernieling ingaan. Daar moet Cliteur niet boos over worden. Lees het als een compliment voor niet-gelovigen, zou ik zeggen: zij kunnen zonder.

Dan de herkomst van religieus geweld: Cliteur zoekt het in de goddelijke-bevelstheorie. Religies hebben een theïstisch godsbeeld (god is een persoon) en die persoon is de hoogste instantie als het om doen of laten gaat. Wat hij gebiedt moet, en wat hij verbiedt mag niet. Lees het verhaal van Abraham die op Gods bevel zijn zoon moest offeren, en hij gehoorzaamde. Hij kon niet anders. Een theïst kan niet weigeren, er is geen hogere instantie dan de gebiedende god. Vrijzinnigen marchanderen met die uitkomst, postmodernen vinden alles best, maar Cliteur kent geen genade: barbertje moet hangen. Wie theïst is staat open – in principe dan – voor een God die geweld kan eisen. Wordt dus atheïst.

Nu is in de tweede helft van de vorige eeuw de goddelijke-bevelstheorie tot op het bot doorgepraat, doodgepraat zelfs, en de algemene conclusie waarmee het debat eindigde, kan ik het gemakkelijkst weergeven in de termen van de Engelse moraalfilosoof R. M. Hare: als we alles wat orthodoxe christenen over god en moraal zeggen, voor waar zouden moeten houden, zou geen weldenkend mens meer christen willen heten.

Waarom haalt Cliteur het paard weer van stal? Dat laat zich raden: het eigenlijke gevaar schuilt vandaag in de islam en haar fundamentalistische uitlopers. Allah is daar de absolute wetgever en gebieder, en vrijzinnigen of andere ondermijners die durven of mogen knabbelen aan het goddelijk bevel, zijn er niet. De goddelijke-bevelstheorie keert dus in al zijn scherpte terug. Het verhaal van Abraham, die op Gods bevel zijn zoon moet offeren, staat ook in de Koran. Is niet elke zelfmoordaanslag, uit naam van Allah gepleegd, het bewijs dat de bevelstheorie in de islam springlevend is? Het zou kunnen, aan het gevaar van een dergelijke praktijk doe ik in elk geval niets af. Wil Cliteur waakzaamheid, dan kan hij die van mij krijgen. Maar de religieuze moraal terugschroeven tot de goddelijke-bevelstheorie? Dat doet geen recht aan de complexe relatie tussen moraal en religie.

Neem bijvoorbeeld Socrates, een van Cliteurs helden. Als hij moet verantwoorden waarom hij zich keert tegen de gangbare religiositeit van zijn tijd, zegt hij niet: dat doe ik omdat ik atheïst ben. Daarvan werd hij juist beschuldigd. Socrates zegt: mijn ‘daimoon’ geeft mij dat in. Daimoon is een religieuze term, je mag het vertalen met innerlijke stem of met geweten, maar het woord heeft een religieus aureool. Wij zouden vandaag zeggen: men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. Dat kan dus ook nog: dat je persoonlijk iets onderneemt – je als Socrates tegen de theïsten van de dag keren – en je dan beroepen op je daimoon. Een religieuze reden voor de atheïst om atheïst te zijn!

Connectie

Maar mijn eigenlijke bezwaar is dat inperken van religieuze moraal tot goddelijke-bevelstheorie, waardoor religie voorgesteld kan worden als bron van geweld. Dat is een voorstelling van zaken die aan religie noch aan moraal recht doet. Bij Cliteur komen die beide grootheden als het ware uit de lucht vallen, ze missen een geschiedenis. Althans, die kant van de zaak – hoe komen we eraan – wordt nergens belicht, terwijl dat voor het begrip van beide fenomenen onontbeerlijk is. Wat is moraal eigenlijk, waar komt ze vandaan, wat is haar status? Cliteur wil haar een status geven (die van autonomie), maar de status die ze heeft: haar eigenheid als culturele factor, haar noodzaak, haar intrinsieke connectie met religie (hoe komt ze daar toch aan?), daarover lezen we niets.

En wat is religie? Die vraag stelt Cliteur wel, hij is ook zo verstandig om bij religie aan de reëel bestaande religies te denken. Maar dan houdt het op, en dat is jammer. Religies zijn erfenissen van verre voorouders, ze ordenden hun riten, mythen, en ervaringen tot een wereldbeeld, een orde, en verankerden die orde in hogere machten. Het was hun manier om zin te geven (‘to make sense of it’) aan wat uit zichzelf geen zin meebrengt. Religies hebben ontginningswerk verricht, een wereld geconstrueerd: inderdaad de wereld volgens hindoe’s, moslims, christenen, enzovoorts, maar toch. Waar reëel bestaande religies ongestoord voortbestaan, is de wereld van de religieuze verbeelding de enige en echte wereld, een andere kennen de aanhangers niet. Leven is leven in gehoorzaamheid aan Gods orde. ‘Dat moet ik van mijn geloof’; ziedaar de exacte formule, ze reikt veel verder dan alleen het dragen van een hoofddoekje, ze betreft het hele bestaan.

Is dat nu de goddelijke-bevelstheorie? Een bepaald uitloper ervan zou je onder die noemer kunnen brengen, maar ze staat dan wel in een veel breder kader dan bij Cliteur (bij hem heeft ze helemaal geen kader). Religieuze moraal is een praktijk, praktisering van een alomvattende, door religie geijkte, orde. Die orde is in beweging. ‘Ongestoord voortbestaan’ is geen religie gegeven, het zou haar einde betekenen. Aanpassing, geen religie ontkomt eraan. De wereld die door de religies is gesticht, verandert, en op haar beurt verandert die veranderende wereld weer de religies. Dat eindeloos proces van transformatie, daarover lees ik niets bij Cliteur. Hij beschrijft het niet, hij is er zelfs op tegen dat mensen zich distantiëren van opvattingen die niet met hun Bijbel of hun Koran overeenstemmen, en nochtans christen of moslim willen blijven. Cliteur legt, daar lijkt het op, de theïsten op een procrustesbed: ze moeten beantwoorden aan zijn definitie. Passen ze er niet in? Dan uitrekken als ze tekort zijn, en een stukje eraf indien te lang.

Doen en laten

De goddelijke-bevelstheorie tot sleutel maken voor een ontkoppeling van religie en moraal, is in mijn ogen een theoretische constructie, ontstaan aan de tekentafel. Neem Cliteurs pleidooi voor een autonome ethiek, een ethiek (bedoelt hij) die de moraal niet fundeert op kerk of religie. Helemaal mee eens. Maar dan hebben we het over een theorie. Moraal gaat over mensen, over wat ze menen te moeten doen of juist te moeten laten. Moraal is een taal, zegt Cliteur ergens; een bekend en adequaat beeld voor moraal als leefwijze van een ‘moral community’. Maar taal tref je aan, je kunt haar niet even maken, zoals de mislukking van het Esperanto aantoont. Moreel esperanto is een ongelukkige titel voor het boek, geeft Cliteur toe, maar in het feit dat hij haar handhaaft zie je de tekentafel terug: het probleem van het religieuze geweld oplossen met behulp van een andere theorie. Dat kan alleen op papier. Mensen in de context van hun bestaan hebben allang een moraal, voordat Cliteur eraan te pas komt. Dat je pas echt goed handelt, als je bereid en in staat bent jouw morele keuze een universele geldigheid te geven: met die beroemde regel erkende ook Kant, dat moraal aan zijn ethiek voorafging; de regel parasiteert op bestaande moraal; ook bestaande religieuze moraal, vooral religieuze moraal. Religie en moraal komen uit een en hetzelfde nest, religieus geïnspireerde moraal (ook christelijke) is de gewoonste zaak van de wereld. Verzin daar niet een nieuw soort, door niemand gesproken, Esperanto tegenover, als je het niet vertrouwt. Wat je dan zou moeten doen is: de religie bij de les houden. Religies zijn niet de bron van moraal, ze ijken haar, stellen haar voor als van God afkomstig, zei Kant. En de vraag is: wat ijken ze, wat keuren ze goed en wat niet. Als religies verkeerde dingen ijken zijn ze fout. Wie dat uitmaakt? Wij, als dragers van de moraal, wie anders! Zo werkt het, zo heeft het al een aantal eeuwen gewerkt. Dat is autonomie als praktijk.

De mogelijkheid daartoe danken we aan de Verlichting. Zij wist het tijdperk van de godsdienstoorlogen te beëindigen door het creëren van de religieus neutrale staat, de term die Cliteur in laatste deel van zijn boek hanteert. Ik val hem zonder reserve bij in verdediging ervan. Behalve dat ik, om misverstand te vermijden, liever van ‘religieus indifferent’ spreek. De staat heeft een minimum aan morele consensus nodig om te kunnen functioneren, maar heeft geen voorkeur voor welke religie of religieus geïnspireerde moraal ook. Zij onthoudt zich van religieus jargon om zich te handhaven; het alternatief is overigens niet anti- maar a-religieus. De staat is niet een ander woord voor samenleving, zij schept en handhaaft – als democratische rechtsstaat – de voorwaarden voor het samenleven van gelovigen van velerlei pluimage, en niet-gelovigen. Op de bres dus voor de religieus indifferente staat. Wie meer wil, krijgt minder.