De melkfles van een technicus

Twee Amerikaanse geluidstechnici schreven een boek over de opnametechnieken en -apparatuur van The Beatles. Dankzij hen weten we waarom The Beatles klonken zoals ze klonken.

Als The Beatles een studiosessie planden, trokken de technici van de Abbey Road-studio strootjes. Want John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr waren niet alleen begaafd, ze waren ook onbeleefd en grillig.

The Beatles waren de eersten die nummers bedachten én uitwerkten in de studio. Niks oefenen in de garage, en liedjes in één keer opnemen in de studio tijdens een toegewezen dagdeel. The Beatles reserveerden Studio 2 in het Abbey Road-complex en verschenen uren na de afgesproken tijd, of helemaal niet. En als ze er waren, bij voorkeur ’s nachts, gebeurde er soms uren niets of werd er mompelend overlegd over de juiste vorm van een nieuwe compositie – terwijl de eerste technicus, tweede technicus, assistent-technicus, tape-operator, producer en assistent-producer maar zaten te wachten.

Deze opmerking staat aan het eind van Recording The Beatles, een boek over de experimenteerdrift van de groep. Het vier kilo wegende Recording The Beatles is in eigen beheer uitgegeven door Brian Kehew en Kevin Ryan. Deze twee Amerikaanse schrijvers/geluidstechnici deden jarenlang research naar de opnameapparatuur en opnametechnieken van The Beatles. Het resultaat biedt alles dat je ooit zou willen weten over de door The Beatles in Abbey Road gebruikte versterkers, microfoons, spuugschermpjes, bandrecorders, echoplaten, snoeren, voorversterkers, equalizers, compressors en luidsprekers. Dankzij Kehew en Ryan weten we nu merk en serienummer van iedere microfoon, en kennen we opnameschema's van elk nummer.

Al lezend krijg je bijna het gevoel dat je begrijpt waarom The Beatles klonken zoals ze klonken. Want achteraf lijkt het simpel: neem de zangpartijen twee keer op en laat de tweede take een beetje ‘zweven’ – dat geeft een voller resultaat. Wil je een ruige viool stuur de opname niet door een maar door twee RS62-versterkers. Voor zover muziek een recept kan hebben, vind je het hier.

De Nederlandse producer Frans Hagenaars kreeg Recording The Beatles op 5 december, en had het de volgende ochtend uit. Hagenaars is bekend als producer van Nederlandse bands als zZz, Johan, Gem, Ellen ten Damme, Alamo Race Track, Daryll-Ann, Bettie Serveert en Van Dik Hout. Hij heeft een studio in Weesp en daar vertelt hij, met uitroeptekens, over het belang van Recording The Beatles. Het is, zegt hij, een ode aan de apparatuur van platenmaatschappij EMI, en EMI-studio Abbey Road.

„Want in de jaren zestig was opnameapparatuur niet zomaar verkrijgbaar, het moest uitgevonden worden. Een EMI-team van onderzoekers en natuurkundigen in witte jassen was permanent op zoek naar de optimale geluidsweergave. Zij lieten versterkers en mengtafels maken in een eigen fabriek, exclusief voor de eigen studio’s: een paar in Engeland, een stuk of vijf in Frankrijk, twee in Duitsland. Verder was die apparatuur niet te koop. De eisen waren hoog: geen apparaat kwam de studio in zonder uitvoerig te zijn getest en doorgelicht. Er werden lijvige rapporten over geschreven. Dankzij die documentatie konden Kehew en Ryan nu hun werk doen.”

Het opvallende is

dat die apparatuur uit de jaren zestig nog altijd als onovertroffen geldt, ook in het digitale tijdperk. Niet alleen de door EMI ontwikkelde apparaten, maar ook oermerken als Neve of Trident zijn populair. De Toerag-studio in Londen werkt alleen met analoge apparatuur. Daar namen hedendaagse bands als The White Stripes, The Datsuns en The Cribs hun platen op, om het authentieke sixties-geluid.

En ook in digitale opnametechniek is de invloed van oude technieken te vinden. Met digitale ‘plug-ins’, ofwel software-emulaties van beroemde EMI-apparaten, zoals de TG12413-Limiter, wordt het oude geluid benaderd.

Frans Hagenaars gebruikt in zijn studio uitsluitend analoge apparaten. Hij heeft wel een computer (ProTools) om mee op te nemen, omdat banden voor de bandrecorder tegenwoordig 450 euro per stuk kosten en hij er per cd-opname ongeveer tien nodig heeft.

Volgens Hagenaars is de opnametechniek sinds de jaren zestig nauwelijks verbeterd, omdat de mogelijkheden uitgeput zijn. „Opnemen is het vangen van trillingen en die omzetten in elektriciteit. Er zijn niet zo heel veel wegen die naar Rome leiden. De basis daarvoor is gelegd in de jaren zestig, en die was optimaal. De V72-versterker, de Telefunken-microfoon, de Tannoy-speakers die in dit boek staan, die gebruik ik iedere dag. Het is niet uit romantiek dat ik met dat soort spullen wil werken. Romantiek is voor freaks, dit is mijn werk. Ze geven nu eenmaal de mooiste resultaten.”

Hij wijst op een foto van de ‘Curve Bender’. „Dit is zo’n fantastisch apparaat, een toonregelaar. Als je zingt in een microfoon krijg je vervorming, probeer maar eens tegen je hand te zingen, dat klinkt anders. Om die vervorming er later weer uit te krijgen ontwikkelde EMI een soort equalizer, oftewel toonregelaar, die zo zuiver en precies was dat ik hoor wanneer bijvoorbeeld de stem van John Lennnon wel of niet met de Curve Bender getoonregeld was.”

Een eigen vondst van de Abbey Road-technici (George Martin was ook bij de opnamen als producer, maar zijn inbreng was eerder creatief dan technisch) was het ‘double tracking’. Een stem klinkt voller als hij twee keer wordt opgenomen en dan samengevoegd, juist door subtiele verschillen tussen beide opnamen. Dit werd door George Martin sinds 1963 steeds toegepast. Maar John Lennon, de ‘luie Beatle’, kreeg snel genoeg van het twee keer inzingen. Op zijn verzoek zocht technicus Ken Townsend naar een snellere oplossing, en vond ADT uit: Artificial Double Tracking. Vanaf dat moment werd hetzelfde effect bereikt door een subtiel gebruik van de ‘delay’-knop op de viersporenrecorder. Het zou de beroemdste, en meest geïmiteerde Abbey Road-truc worden.

Veel vernieuwing ontstond uit misbruik van de apparatuur. The Beatles, en met name Paul McCartney, waren gebrand op vooruitgang. Vuistregel was dat niets moest klinken als op de vorige lp. Tegen Ringo zei Paul „speel eens iets anders, die snaredrum kennen we nu wel.” Ze waren, zoals Kehew en Ryan schrijven, „desperate for change.” Effectpedalen bestonden nog niet, effecten werden bereikt door zelf iets uit te vinden. Als er een onderwater-sound nodig was, in Octopus Garden, werd de microfoon op aanraden van Lennon in de melkfles van een technicus gehangen. Toen George Harrison voor Savoy Truffel (1968) blazers opnam vond hij het geluid van één RS61-versterker te netjes. Hij wilde dat het ‘kapot’ zou klinken, dus liet het geluid door nog een tweede RS61 voeren. Het geluid werd daardoor zo ruig en overstuurd, dat George Martin zich voor het terugluisteren bij de blazers verontschuldigde: „Het zal anders klinken dan u gewend bent.”

De ongewone omgang met apparatuur was exclusief voor The Beatles. Alleen zíj mochten met bepaalde apparaten experimenteren. Het gebruik van de curve bender, de toonregelaar, werd moreel afgewogen door de EMI-staf: mocht het geluid wel zo ver afraken van zijn natuurlijke staat? The Beatles gingen soms te ver. In Recording The Beatles staat dat Paul McCartney altijd gefrustreerd was over zijn basgeluid. Op Amerikaanse lp’s klonken de bassen voller; bij EMI werd veel laag uit het geluid gehaald omdat anders de naald „uit de groef zou springen.” Totdat Paul hoorde dat je een luidspreker ook als microfoon kunt gebruiken. „Dát gaan we proberen”, zei hij. De speaker werd voor Pauls basversterker gezet en inderdaad, de bas had nog nooit zo diep geklonken. Het werd de ruggegraat van Paperback Writer. De EMI-directie was not amused en de technicus die ermee had ingestemd de speaker op deze manier te misbruiken, kreeg een boete van één dag loon (die The Beatles hebben vergoed).

„Al dat soort trucs gelden vandaag de dag nog steeds”, zegt Hagenaars. „Opnemen met een speaker in plaats van een microfoon is gemeengoed geworden. En ik verdubbel ook altijd de zang, om een voller effect te krijgen.” De inrichting van Hagenaars’ studio is overzichtelijk. In de controlekamer staat een bijna twee meter brede mengtafel, er zijn twee rekken met versterkers, equalizers, compressors en oscillatoren, en twee computerschermen. Hij wijst op een zilveren kastje. „Kijk, dit is een compressor. Die gebruik ik op dezelfde manier als technicus Geoff Emerick toen hij de drums van Ringo opnam. De compressor drukt het hardste signaal samen, en explodeert meteen erna: tok-plof. Dat geeft een zuigend, ruimtelijk effect. Op She Said, She Said en Tomorrow Never Knows kun je het horen. Ik heb het gebruikt bij het opnemen van House of Sin, van zZz.”

Het spetterende boek

over de opnametechniek heeft invloed op Hagenaars’ werkwijze als producer. „Ik was al een beetje in die richting bezig, maar door dit boek is het versterkt, dat ik steeds simpeler wil werken. Toen ik die computer kocht realiseerde ik me dat de mogelijkheden nu onbeperkt zijn. Je kunt je druk maken om dat ene mislukte triangeltikje in het derde refrein, en het heel makkelijk vervangen door een nieuw triangeltikje. En dat doen muzikanten ook. Ze leveren in op geluidskwaliteit, want de analoge apparaten zijn in ieder geval beter, om eindeloos te kunnen pielen.

De spontaniteit bij het musiceren gaat verloren, vindt Hagenaars. „Hier lees je hoe Ringo zijn drumpartij voor Tomorrow Never Knows inspeelde met de echo er op. Dat kon niet anders, je kon hem niet achteraf toevoegen. Dus ook de rest van de band speelde mee met die echo. Zo waren de Beatles altijd gedwongen om een directe prestatie te leveren. Dat doen muzikanten tegenwoordig niet meer, want het hoeft niet meer. Van mij moet het nu weer wel. Niet te veel microfoons, geen tijd verspillen met eindeloos instellen. Ik kan het drumstel wel met 64 microfoons opnemen, maar ik doe het met vijf. Je moet jezelf voor het blok zetten.

„Bij muziek gaat het om de dynamiek van de uitvoering, om het samenspel. Ik wil de luisteraar een performance geven. Als de muzikanten dat niet willen, moeten ze mij niet vragen.” Tijdens de opnamen van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (1967) hadden The Beatles door allerlei muzikanten instrumenten in laten spelen. Bijna geen een nummer werd door de hele band tegelijk uitgevoerd. Dit tot ongenoegen van Ringo. „We hebben goed werk geleverd”, zei hij er later over. „Toch heb ik nooit echt van Sgt. Pepper gehouden. Ik voelde me een sessiemuzikant op mijn eigen plaat.”

‘Recording The Beatles. The Studio Equipment and Techniques Used To Create Their Classic Albums’. Door Brian Kehew en Kevin Ryan. Curvebender Publishing.