De jaarlijkse rondhoutveiling

Tweeëntwintigste aflevering van een serie

over het leven van bekende en onbekende bomen

in Nederland.

In de Koperen Kop op de Hoge Veluwe is intussen de elfde Nederlandse rondhoutveiling gehouden. De organisatie was als altijd in handen van de Unie van Bosgroepen.

Je kunt het vergelijken met een kunstveiling: er was een catalogus, er waren kijkdagen en er werd onder notarieel toezicht bij opbod verkocht.

Alleen, wat bij Christie’s wordt uitgestald in zalen en vitrines, lag in dit geval over honderden meters verspreid langs de Rolbaan, een verlaten strook asfalt bij vliegveld Deelen. Toch noemden de organisatoren het een etalage – een etalage van kwaliteitshout.

Daar lagen gevelde stammen buitengewoon indrukwekkend te zijn. Daar kon je al die verschillen in schors, want andere herkenningstekens waren er niet, eens rustig op je laten inwerken. 0 ja, thuja!

Maar de kenners keken natuurlijk anders. De kern moet netjes in het midden zitten. De jaarringen moeten mooi regelmatig zijn opgebouwd. Lengte en dikte en behóúd van dikte (het verloop) spelen een belangrijke rol. Ook de kleur is van betekenis, met dien verstande dat het ene jaar meer licht hout wordt gevraagd en het andere meer donker.

De stam moet liefst noestvrij zijn, en niet ‘ijzerverdacht’ (granaatscherven, oorlogsbomen). De opmerking ‘geveld met afnemende maan’ echter bleek van geringe waarde (alleen aanhangers van Rudolf Steiner geloven dat dat de duurzaamheid bevordert).

Het totale aanbod besloeg dit keer 27 boomsoorten, 190 kavels, 515 kuub hout – aanzienlijk minder dan vorig jaar. De houtprijzen zijn onlangs opzienbarend gestegen; veel boseigenaren zijn kennelijk tevreden met de opbrengst buiten de veiling om.

Dat neemt niet weg dat de zaal afgeladen was. Allemaal mannen (en een enkele vrouw) met een gezonde buitenkleur en een hart voor hout.

Er werd in de regel vlot en soms hardnekkig geboden, inlands eiken tot pakweg 480 euro per kuub, zoete kers tot 460 euro per kuub.

Ik zat bij een handelaar die bij deze gelegenheid zowel wilde kopen als verkopen. Voor het eerste had hij belang bij lage, voor het tweede bij hoge prijzen. Hij maakte een ietwat verscheurde indruk. Dus dat was laten we zeggen de industriële kant.

Aan de andere kant: een man die zijn zinnen gezet had op één partij inlands eiken, minimale lengte 3,80 meter, voor de verdere restauratie van zijn huis bij Doetinchem.

Een stuk ruwe berk van nog geen meter ging voor 35 euro van de hand. Het bestond voornamelijk uit puist, wondweefsel. Zo’n woekering kan een mooie grillige tekening geven – daar draait iemand wellicht een bijzondere schaal van.

Een stevige essenstam ging voor 320 euro per kuub naar een meubelmaker. Es is goed te buigen – stoelpoten!

Een van de topstukken van de veiling, bijna 7 meter esdoorn van een forse diameter („echt uniek voor Nederland”), ging voor 290 euro per kuub naar die handelaar van zo-even. „Waarschijnlijk trappenhout”, vertrouwde hij me toe. Want voor traptreden heb je zo’n diameter nodig. En voor die prijs zal het een luxe trap worden.

Verhoudingsgewijs de hoogste prijzen haalden een kaveltje hulst en een kaveltje walnoot – tegen de duizend euro per kuub. Hulst voor draai- of snijwerk, iets kunstzinnigs; walnoot voor het handvat van een mes of knoppen aan een meubelstuk ofzo. Zulk hout is in ieder geval te duur om iets groots van te maken.

Na afloop dromden groepjes mannen (en een enkele vrouw) samen voor een nabeschouwing. Kopers en verkopers noteerden over en weer namen en telefoonnummers. Dat is bij deze veiling geen probleem: zij is mede bedoeld om partijen bij elkaar te brengen voor nadere transacties.

Op de terugweg dacht ik onwillekeurig aan de boomstammen die momenteel, ook als gevolg van de januaristorm, overal liggen opgestapeld in bossen en parken – hout dat zonder veel plichtplegingen zal worden verwerkt tot pallets, vezelplaten of chips.

Dus misschien is dit wel het hoogste wat een boom bij ons kan bereiken: een plaatsje op de jaarlijkse rondhoutveiling.

Koos van Zomeren