De bibliotheek in het hoofd

Anthony Mertens: Lezen, man! Essays en kritieken. De Bezige Bij, 432 blz. € 24,95

Een ‘grillige lezersbiografie’ dat stond Anthony Mertens voor ogen: ‘waar en wanneer en vooral om welke reden heb ik welke boeken gelezen’. En in zekere zin is Lezen, man! zo’n boek. We lezen erin hoe de criticus, docent en uitgever Mertens (1946) als koortsig kind in bed het Blue Band sportboek verslond, hoe hij door Erich Kästners Emil und die Detective een fascinatie voor Berlijn ontwikkelde én een verlangen naar een leven in de grote stad, hoe hij als student volledig werd gegrepen door het werk van Ivo Michiels, zonder precies te weten waarom. En ook, dat het met sommige schrijvers maar niet wilde vlotten: met John Dos Passos bijvoorbeeld en ook lange tijd met Rilke: Mertens moest 47 worden voor hij Rilke ging lezen.

Als weinig anderen kan Mertens aansporen tot lezen: wanneer hij schrijft dat Georges Perros’ Plakboek ‘al weken op de loer ligt’ aan de rand van zijn tafel en er een paar zinnen uit citeert, vraag je je af waarom dat boek bij jou ongelezen in de kast staat. Wanneer hij de lof zingt van Erich Auerbachs Mimesis, voel je de opwinding weer van het moment dat je als student dat boek las. En wanneer hij de twaalf jaar geleden verschenen Nederlandse vertaling van James George Frazers De Gouden Tak inleidt met de trieste Werdegang van een zelfbenoemde Messias in het Kentucky van 1830, surf je in gedachten al naar antiqbook.com.

Toch is Lezen, man! niet de voorgenomen literaire autobiografie van Mertens. Enkele jaren geleden werd hij getroffen door een hersenbloeding en sindsdien heeft hij het lees- en uitgeefwerk moeten opgeven. Hij schrijft nog wel een (verbluffend goede) column in De Revisor. De plaats van het nieuwe boek is nu ingenomen door een bloemlezing van wat er al was. En hoe mooi en wervend de stukken in die bloemlezing ook zijn, je ziet ook de gaten vallen. Neem de door de jonge Mertens zo hartstochtelijk gelezen Ivo Michiels. Hij prijst diens ritmische proza en scheert nog een paar keer nieuwsgierigmakend langs Michiels, maar het grote stuk over Michiels staat er niet in. Kennelijk heeft hij het niet geschreven. Er staan in het derde deel van Lezen, man! een paar recensies die ik graag had willen inruilen voor Mertens’ definitieve stuk over Ivo Michiels. En bij de beschrijving van Erich Auerbachs Mimesis, de erudiete en wervende studie van het realisme in de literatuur van Homerus tot Virginia Woolf denk je onwillekeurig: ja, zo’n boek had Mertens kunnen schrijven.

Maar er staat te veel moois in Lezen, man! om lang stil te staan bij het boek dat het niet is. Mertens kan je niet alleen in een paar zinnen naar boekenkast of boekwinkel jagen, hij heeft ook de gave om prachtige stukken te schrijven over auteurs waar hij toch ook bedenkingen bij heeft. Neem zijn beschouwing over Frans Kellendonk, waarin hij je een cruciaal verhaal uit diens bundel Namen en gezichten binnentrekt, vervolgens de lof zingt van De nietsnut, maar uiteindelijk ook de aandacht vestigt op wat hem aan Kellendonks werk minder bevalt. Hier is nog wel een criticus aan het woord, maar een die zich ver heeft verwijderd van het plussen en minnen van de wekelijkse stukjes, een die zich helemaal heeft vastgebeten in een schrijver en diens oeuvre.

Het zijn dergelijke oeuvrestukken waarin Mertens excelleert: twee hele mooie essays over A.F.Th. van der Heijden, een met gevoel voor gekte geschreven beschouwing over Charlotte Mutsaers en een even rustige als geamuseerde analyse van het werk van Bernlef: ‘Hij schrijft nog steeds met de lichte grijns van de leerling-kelner die weet dat er een onvermoede werkelijkheid kan oplichten in het gebied tussen de klanken en de spijzen.’

In zijn inleiding tot Lezen, man! schrijft Kees Fens over Mertens als een man die kan lezen zonder boek, door gewoon rond te struinen in de bibliothèque imaginaire in zijn hoofd. In ieder geval een deel van die bibliotheek is door deze bundel ontsloten, al is het onbegrijpelijk dat een uitgever van naam dit boek zonder register durft te publiceren. Maar daar moeten we maar niet te lang bij stilstaan. Eerst lezen.