Briesend op de bres

Ook bij de Statenverkiezingen lijkt de Partij voor de Dieren woensdag af te stevenen op een goede uitslag. Het morele superioriteitsgevoel van de partij wint het nogal eens van de rationele argumentatie.

Marianne Thieme: De eeuw van het dier. Houtekiet, 199 blz. € 16,50.Martha Nussbaum: . Over dierenrechten. Ambo, 135 blz. € 9,95

Zijn er grenzen voor de Partij voor de Dieren? Niet waar het de kiezers betreft, zo lijkt het. Sinds de oprichting in 2002 door een kleine groep dierenvrienden is in hoog tempo een serieuze partij ontstaan die tijdens de kamerverkiezingen van 22 november 179.988 kiezers wist te trekken. Ineens zitten lijsttrekster Marianne Thieme en haar partij met twee zetels in de Kamer (bijna waren het er drie). Al in de eerste maand na de verkiezingen mocht de partij een reeks successen noteren: de Tweede Kamer nam een groot aantal diervriendelijke moties aan die er onder meer voor zorgen dat er een nationaal alarmnummer voor dieren wordt ingesteld, dat er een nieuw registratiesysteem voor honden en katten komt en dat de weidegang voor koeien wordt gestimuleerd. Die voorstellen hoefde de PvdD lang niet allemaal zelf in te dienen: het alarmnummer werd bedacht door kamerlid Graus van de PVV, de weidegang door Waalkens van de PvdA. Het tekent de brede, door Thieme vaak aangehaalde bereidheid om de positie van dieren in onze maatschappij te herijken. Of het nu links is of rechts, niemand durft de dieren tegen zich in het harnas te jagen.

Die partij overstijgende consensus klonk ook door in de verkiezingscampagne. Hier bleek al snel hoezeer de PvdD de tijdgeest mee heeft. Ongetwijfeld onder druk van de telkens weer indrukwekkende cijfers (alleen al in de Nederlandse bio-industrie worden honderden miljoenen dieren gehouden, honderdduizenden dieren ‘werken’ in laboratoria) werpen wereldwijd mensen zich op als dierenbeschermers – van voormalig Playboymodel Pamela Anderson tot filosofe Martha Nussbaum, van wie zojuist het zesde hoofdstuk van haar boek Grensgebieden van het recht, dat handelt over dierenrechten, als apart boekje is verschenen, onder de titel Een waardig bestaan.

Bij de verkiezingscampagne bleek in ieder geval dat de PvdD in communicatief opzicht een groot voordeel heeft ten opzichte van de traditionele partijen. Waar deze laatste in hun campagnes min of meer gedwongen steeds teruggrijpen op foto’s van lijsttrekkers en begrippen als ‘solidariteit’ en ‘eerlijk delen’ zette de PvdD kleine roodharige katjes op een kamerzetel, maakte ze gebruik van pregnante slogans en kon ze beelden gebruiken die onmiddellijk tot de verbeelding spreken: krijsende biggen, kippen in troosteloze kooien en natuurlijk de herinnering aan de grootscheepse ‘ruimingsacties’ van enkele jaren geleden – metalen grijpers, bungelde koeienlijken. Bij het communiceren van die beelden werd de partij geholpen door een stoet prominente Nederlanders, van Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen tot Rudy Kousbroek en Martin Gaus. Zij stuwden het emotionele appèl van de PvdD tot grote hoogten op, waardoor het nauwelijks opviel dat veel van de betrokkenen weinig bezig waren met de vraag wat dat nou precies betekent: een diervriendelijke politiek. Hoe haal je het dierenbeleid uit het domein van de emoties en geef je er praktische grenzen aan? Hoe spreek je namens wezens die dat zelf niet kunnen?

Met het succes van 22 november zijn die vragen urgenter geworden. Plotseling is de PvdD geen protestbeweging meer, maar een politieke factor waarvan je meer mag verwachten dan slogans, bekende Nederlanders en emomarketing. In die zin komt het dus goed uit dat lijsttrekster Marianne Thieme onlangs een nieuwe versie heeft uitgebracht van haar boek De eeuw van het dier. Deze geloofsbrieven verschenen voor het eerst in 2004, waarmee Thieme in ieder geval eerder was dan concurrerende partijleiders als Rouvoet, Bos en Halsema. Nu, na het verkiezingssucces, is het boek aangevuld en herzien.

Toch valt al snel op dat De eeuw van het dier nog steeds het boek is van een actievoerder. Thieme’s stijl staat vol herhalingen en uitroeptekens, en het boek drijft niet louter op haar eigen bevindingen, maar bevat ook vegetarische recepten en adhesiebetuigingen van voornoemde BN’ers. Toch is het een interessant werk, vooral omdat het duidelijk maakt hoe Thieme haar standpunten als politicus voor het voetlicht denkt te gaan brengen.

Anders dan je zou verwachten, zoekt Thieme daarbij niet direct de weg van de rationele argumenten. Zeker, Thieme is dol op cijfers en voorbeelden: De eeuw van het dier staat vol verhalen en statistieken die de idealen van de PvdD in de sfeer van objectiviteit moeten trekken. Maar de inhoudelijke onderbouwing is vager. Zonder dat direct te zeggen lijkt Thieme haar gedachtegoed vooral te baseren op dat van de Australische filosoof Peter Singer, die in zijn boek Animal Liberation (1975, herzien in 1990) de ideologie van het ’speciesisme’ ter discussie stelde. Deze stelt dat het maken van onderscheid tussen soorten of rassen in alle opzichten verwerpelijk is, niet alleen tussen zwarte en blanke mensen, maar ook tussen mensen en dieren. Animal Liberation wordt vaak beschouwd als de ‘bijbel van de dierenbevrijdingsbeweging’ – het feit dat Thieme zich wel op Singer baseert, maar het niet nodig vindt hem uitgebreid aan te halen, geeft al aan hoezeer zijn boek onder dierenbeschermers is ingeburgerd.

Die invloed is ook begrijpelijk. Animal Liberation is vooral een pamflet waarin Singer de redeneerkracht van een filosoof combineert met de bevlogenheid van een profeet. Hij baseert zijn pleidooi daarbij op twee peilers: naast het idee van speciesisme is dat het idee van pijn. Singer geeft toe dat het interpreteren van dierlijke communicatie weliswaar lastig is, maar hij meent dat er voldoende aanwijzingen zijn dat pijn bij dieren concreet en meetbaar is en dat het dus amoreel is om daar als mens geen rekening mee te houden. Uit die twee uitgangspunten (speciesisme en de notie van pijn) ontspruit vervolgens Singers betoog, waarin hij onder meer pleit voor vegetarisme en het stopzetten van dierproeven. Daarbij is zijn stijl zijn grote kracht: zelfs als lezer die niet bij voorbaat tot zijn ‘geloof’ is bekeerd, kost het je moeite om zwakke plekken in zijn betoog aan te wijzen.

Maar die zijn er wel. Het valt bijvoorbeeld op dat Singer zich in de loop van zijn boek niet louter beperkt tot pijn als doorslaggevend criterium, maar er ook ‘pleasure’ tussensmokkelt, hoewel ‘pleasure’ in termen van zenuwen, prikkels en relativiteit een stuk lastiger te meten lijkt dan pijn. En dan is er de kwestie welke dieren er tot Singers Ark worden toegelaten. Welke dieren voelen er pijn? Waar trek je de grens?

Hoe lastig dit dilemma is, blijkt wel uit het feit dat zelfs Singer er niet helemaal uitkomt – hij geeft bijvoorbeeld toe dat hij, nadat hij op het vegetarisme was overgegaan, lang heeft getwijfeld of hij nog wel oesters, mosselen en jakobsschelpen mocht eten. Juist dit soort dilemma’s worden uitgebreid behandeld in het boek van Nussbaum. Een waardig bestaan voegt in praktische zin niet zoveel toe aan Singer en anderen, maar filosofisch is het interessant: Nussbaum werpt zich namelijk op als verdediger van de ‘vermogensbenadering’, die uitgaat van wat levende wezens kunnen; dieren hebben volgens die benadering ook het recht om die vermogens uit te leven. De praktische consequenties daarvan lijken niet erg groot, maar haar boek geeft wel aan dat de dierenrechtenbeweging op filosofisch niveau volop in beweging is.

Alleen daarom al is het des te spijtiger dat van dit alles in de Eeuw van het dier weinig is terug te vinden. Sterker nog, Marianne Thieme lijkt zich weinig voor inhoudelijke discussies te interesseren: zij gaat ze uit de weg, doet ze ze af als ‘semantische metadiscussies’ of vlucht in sofistische trucs. Een mooi voorbeeld van dat laatste is als ze aan het begin van haar boek stelt dat tegenstanders haar soms aanspreken op de ‘intrinsieke waarde van wespen’. Dat lijkt een zinnige vraag, maar Thieme werpt haar tegenstanders alleen maar voor de voeten dat die zich niet werkelijk zorgen maken over de beschermwaardigheid van de wesp, maar ‘voor zichzelf de vrijheid willen claimen om net zoveel koeien dood te (laten) maken als hun lekkere trek vraagt’ – een nogal flauwe jij-bak.

Ook op andere inhoudelijke punten is Thieme niet sterk. Zo valt op dat ze nauwelijks heeft nagedacht over de verhouding tussen levende wezens in het algemeen. ‘De dieren’ waarover Thieme schrijft, beperken zich in de praktijk tot gedomesticeerde zoogdieren (honden, katten, koeien, paarden, varkens) en kippen. Dat bevestigt het idee dat de PvdD vooral een stadspartij is – Thieme geeft aan dat veel van haar stemmers in de grote steden zitten –, maar sterkt de lezer ook in het vermoeden dat Thieme en de haren zich sterk door emoties laten leiden: de dieren waarvoor ze strijden moeten zichtbaar zijn, mensen moeten zich gemakkelijk met de dieren kunnen identificeren.

Zulke overwegingen maken ook Thieme’s pleidooi voor ‘natuur’ en ‘natuurlijkheid’ lastig. In haar boek komt ze zelfs niet in de buurt van de vraag in hoeverre de mens, en daarmee de beslissingen die hij neemt, onderdeel is van die natuur. Mogen dieren elkaar onderling eigenlijk wel afmaken? En in hoeverre moet de ‘natuur’ zich naar menselijke verwachtingen gedragen? Wat doe je met zieke konijnen die hun soortgenoten besmetten? Met ‘onbeheersbare’ pitbulls? Uiteindelijk blijft ook de vraag open welke dieren zich onder Thieme’s vleugels mogen koesteren. Muskusratten? Adders? Garnalen? Wespen? Dat klinkt misschien flauw, maar je mag van een dierenpoliticus toch verwachten dat ze ideeën over zulke grenzen heeft – of zich in ieder geval open stelt voor discussie.

Thieme’s blinde vlek voor cultuur verklaart waarschijnlijk ook de grootste zwakte in haar gedachtegoed: haar mensbeeld. Voor Thieme bestaat de mensheid uit good guys en bad guys: de goeden zijn lief voor dieren, sympathiseren met het vegetarisme en knuffelen hun kat. De slechten zijn al diegenen die dieren niet min of meer gelijkwaardig aan mensen willen behandelen: zij worden verpersoonlijkt door de boeren. Boeren zijn het Kwaad in Thieme’s universum: zij stoppen kippen in legbatterijen, branden varkensstaarten af en verhakselen haantjes. Ze deinst er dan ook niet voor terug hen met terroristen te vergelijken. Desondanks gaat Thieme er ongegeneerd van uit dat als de ‘goeden’ overwinnen en er een nieuw tijdperk aanbreekt en het ‘kwaad’ volledig zal zijn verdwenen. Dat is geen politiek meer, dat is religie.

Het lijkt erop dat de PvdD een moreel en emotioneel vacuüm vult waar veel mensen behoefte aan hebben (altruïsme, utopisme); tegelijk vertegenwoordigt ze een ideaal van gelijkheid dat in de huidige samenleving heel ver weg lijkt. Tegenwoordig lijkt het bij uitstek een ouderwets ‘links’ idee om voor iedereen dezelfde kansen en rechten te eisen, toch is dat precies wat de PvdD doet – niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren. Juist die ideologie maakt de partij-overstijgende populariteit van ‘het dier’ zo curieus; het blijft een vreemd gezicht om politici als PVV-kamerlid Dion Graus en voormalig LPF-kamerlid Joost Eerdmans, die steeds strenge grenzen stellen tussen ‘westerlingen’ en moslims, tegelijk zij aan zij met de PvdD te zien strijden voor de rechten van het dier.

Zowel Thieme als Singer vergelijken, om hun pleidooi een historisch kader te verschaffen, de dierenbevrijdingsbeweging vaak met emancipatiebewegingen als die voor zwarten en vrouwen – Thieme omschrijft dieren regelmatig als de zwaksten in de samenleving. Toch lijkt een andere historische parallel meer van toepassing: die met de populariteit van het communisme bij de protestgeneratie van de de jaren zestig en zeventig. Ook zij signaleerden een verdrukte groep (de arbeiders), ook zij meenden te kunnen bepalen wat goed was voor anderen en ook zij streefden naar een nieuwe wereldorde. Zo zit het mutatis mutandis ook met de PvdD. Hoe nobel hun doelen soms ook mogen zijn, zolang de partij de inhoudelijke discussie blijft reduceren tot emotionele oprispingen, weigert grenzen te stellen en het monopolie op de stem van dieren opeist, eigent ze zich een morele superioriteit toe die in het verleden tot bedenkelijke en soms zelfs gevaarlijke situaties heeft geleid. Uiteindelijk laat het dilemma van de partij zich daarmee eenvoudig samenvatten: zolang dieren niet kunnen zeggen dat ze niet door Marianne Thieme en de haren vertegenwoordigd willen worden, zou de Partij voor de Dieren veel meer bescheidenheid moeten betrachten.