Vrijspraak Servië maakt einde aan juridische fictie

Een betere toekomst van de Balkan loopt niet langs gerechtelijke uitspraken. Daarom is de vrijspraak voor Servië verheugend, zegt Raymond van den Boogaard.

Dat het Internationale Hof van Justitie maandag de staat Servië niet schuldig heeft verklaard aan genocide in Bosnië-Herzegovina, en de Bosnische aanspraken op herstelbetalingen heeft afgewezen, is verheugend: de uitspraak breekt met de juridische fictie dat de oorlog in ex-Joegoslavië geen burgeroorlog was, maar een door Servië geïnstigeerde oorlog tussen staten.

Deze fictie – die het uitgangspunt is van de strafzaken voor het Haagse Tribunaal – heeft altijd gewrongen. Juist de opdeling van Joegoslavië in verschillende staten was immers de inzet van het conflict. Het was, begin jaren negentig, één politieke elite die ertoe overging om in Joegoslavië de ex-communistische boedel niet langs de weg van onderhandelingen, maar met geweld op te delen, daarbij gebruikmakend van archaïsche etnische tegenstellingen.

Sommige Europese landen, zoals Duitsland, dragen een zware verantwoordelijkheid door in een vroeg stadium aan te dringen op erkenning van Slovenië en Kroatië. Dit beloonde degenen die met de wapenen tot afscheiding overgingen. Het was een perfide politiek: iedereen kon weten dat de ‘democratische’ schaamlap – erkenning als onafhankelijke staat na een referendum – in Bosnië-Herzegovina macabere gevolgen zou hebben.

Prompt ontstond een burgeroorlog tussen drie partijen: de Bosnisch-Servische die zich tegen afscheiding van Joegoslavië verzette, de moslim-oorlogspartij en de Kroatische oorlogspartij. De Bosnische oorlog was, meer nog dan de Kroatische en de korte Sloveense, een afgrijselijk conflict, waarin door alle partijen ernstige misdaden zijn gepleegd.

De vraag of sommige oorlogspartijen meer verantwoordelijkheid dragen voor het gebeurde, is geen juridische maar een politieke. Ik zou zeggen dat het beeld van een Servische oorlogspartij die onder leiding van Milosevic van meet af aan uit zou zijn geweest op een gewelddadige ontknoping, veel te maken heeft met de perceptie van Servië als een minder ‘beschaafd’ of minder ‘Europees’ land dan Slovenië of Kroatië. Dergelijke opvattingen zijn als oorlogspropaganda te kwalificeren. Aan de andere kant heeft de opstelling van Milosevic in de jaren vóór de oorlog zeker bijgedragen tot een klimaat, waarin onderhandelen over de toekomst van Joegoslavië geen zin leek te hebben.

Dit zijn echter politieke appreciaties, waarover het oordeel niet in de rechtszaal thuishoort. Dat was al gebleken tijdens het proces tegen Milosevic in Den Haag.

De voormalige oorlogspartijen moeten hun tijd niet langer verdoen met het oprakelen van oude frustraties. Uit het drama van de oorlog is namelijk een ander drama voortgekomen: Balkanlanden die zonder burgeroorlog vermoedelijk al jaren deel hadden uitgemaakt van de EU, bestaan nu uit verarmde staten, waarvan sommige een soort internationaal protectoraat zijn.

Het ware beter als voor het laatste onopgeloste conflict, in Kosovo, zo spoedig mogelijk een oplossing door onderhandelingen wordt gevonden. In ieder geval loopt de weg naar een betere toekomst niet langs – in gerechtelijke uitspraken – gestolde rancune en herstelbetalingen.

Raymond van den Boogaard is redacteur van NRC Handelsblad.