Verzekeren? Niet doen

Voor sommigen telt „het vertrouwen op God” zwaarder dan het risico financieel geruïneerd te raken.

Die mensen weigeren zich te verzekeren.

Op het bureau in het kantoor boven zijn bedrijf ligt een bijbeltje met een ritssluiting. Hij slaat het open om Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus (uit 1563) te citeren: ‘Afgoderij is in plaats van de enige ware God, Die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem, iets anders verzinnen of hebben waarop de mens zijn vertrouwen zet.’ „Verzekeren is gebrek aan vertrouwen op God en daarom een vorm van afgoderij, een zonde tegen het eerste van de Tien Geboden.”

Zijn bedrijfsauto’s zijn niet verzekerd, zijn personeel betaalt hij in geval van ziekte gewoon door. Zijn kinderen zijn niet ingeënt. Televisie heeft hij niet, om niet geconfronteerd te worden met godslasterlijke programma’s.

Hij wil alleen anoniem praten over het feit dat hij, hoewel volledig onverzekerd, gewoon deelneemt aan het maatschappelijke leven. „Het moet je niet verbazen dat de meesten daar niet over willen praten. Gemoedsbezwaarden lopen niet met hun overtuiging te koop. We willen ons niet verheffen boven mensen die wel verzekerd zijn, ook niet boven onkerkelijken. We zijn geen haar beter. Het is ook binnen onze kerkelijke gemeente maar een gedeelte dat niet verzekerd is. Degenen die wél verzekerd zijn, beseffen vaak wel dat dit niet naar Gods wil is, maar ze durven het risico niet aan. Zij voelen zich in veel gevallen bezwaard dat ze wel verzekerd zijn, omdat ze zo onderscheid maken tussen leer en leven. Veel jongeren onderkennen dat. Door de Zorgverzekeringswet, die in 2006 van kracht is geworden, móéten mensen kiezen: verzekeren of niet – een persoonlijke gewetenszaak.”

Het was een weloverwogen keus, zonder financieel vangnet te leven. „Vroeger, toen ik nog in loondienst was, zat ik in het ziekenfonds. Ook mijn ouders waren verzekerd. Toen mijn vrouw en ik achttien jaar geleden besloten een eigen bedrijf te beginnen, raakten we er samen van overtuigd dat verzekeren een blijk van een gebrek aan vertrouwen op God was. Het geloof in die grote, almachtige God is onvoorwaardelijk. Eerst God bidden of Hij voor alles wil zorgen en daarna een verzekeringsmaatschappij bellen om daar alles veilig te stellen, is niet eerlijk. Maar als je gaat redeneren en rekenen dan kan het niet. De Heere heeft ons gezegend, maar het had ook anders kunnen lopen. Het is een zegen om het ook dán te mogen aanvaarden.”

Hij steekt zijn overtuiging niet onder stoelen of banken. Toch wil hij zijn kinderen, zijn klanten, zijn personeel de ruimte laten. Sommige personeelsleden zijn gemoedsbezwaard, anderen zijn verzekerd. Als klanten verzekerd zijn, dan handelt hij eventuele schade gewoon met hun verzekeraars af. „Als onze kinderen zich toch willen verzekeren als ze achttien zijn, dan vinden we dat jammer, maar ze zijn er ons niets minder om. We hopen wel andere mensen jaloers te maken door groot te spreken van de Heere en zelf alles van Hem te verwachten.”