Stasifilm klopt niet, toch een meesterwerk

De recensie van de film Das Leben der Anderen in de krant van gisteren geeft terecht aan dat dit geen verkapte documentaire over de DDR of over de Stasi is. Hoewel Nova enkele weken geleden meende dat deze film de DDR eindelijk laat zien als de openluchtgevangenis die ze was, vormt diezelfde DDR slechts de coulisse voor het verhaal. En er mogen dan „heel veel feitjes kloppen” (NRC Handelsblad, 28 februari), op grond van alles wat in de film nou juist niet strookt met de historische werkelijkheid, zou dit verhaal zich in de DDR zo nooit hebben kunnen afspelen.

De Stasi was zo georganiseerd dat een minister in de jaren tachtig niet voor pure privédoeleinden mensen kon laten observeren. Het was bovendien in de historische DDR onmogelijk dat een Stasi-officier zelf op zolder zat om af te luisteren; hij kreeg de verslagen op zijn bureau. En er werd, om een ander detail te noemen, bij haastklussen sinds de jaren zeventig met draadloze afluisterapparatuur gewerkt, zodat de Stasi niet in hetzelfde huis hoefde te zitten. De fysieke nabijheid van dader en slachtoffers die voor het verhaal essentieel is, kwam in de echte DDR dus vrijwel niet voor.

Maar als de film ondanks zijn vermeende authenticiteit niet gezien kan worden als een soort documentaire over de DDR, hoe dan wel? In de eerste plaats als kunstwerk. En dan gaat het om meer dan „een klein drama, een vierhoeksverhouding”. Als bijna alle grote kunst gaat ook deze film over goed en kwaad, over liefde, over vertrouwen en verraad, over de hoop en over de invloed die kunst kan hebben op mensen.

Dat laatste doet hij inderdaad niet subtiel maar er zijn daarnaast veel subtieler vormgegeven betekenislagen te ontdekken. Neem het thema van het observeren. Wiesler, de Stasiman, zit op zolder naar zijn slachtoffers te luisteren. Hij oordeelt over hen op grond van wat hij van hen weet – en aangezien ze 24 uur per dag worden bewaakt, lijkt dat veel, zo niet alles. Hij neemt de vrijheid hun leven te herschrijven, en er zelfs in in te grijpen. Interessant is dat geobserveerde en de observator min of meer van rol wisselen: auteur Dreyman wordt een soort verslaggever als hij voor het West-Duitse blad Der Spiegel een artikel over zelfmoord in de DDR schrijft, Wiesler wordt door het fictionaliseren van zijn verslagen min of meer schrijver. Het voyeurisme inclusief de wens invloed uit te oefenen op de bekekenen is een thema dat we vaker tegenkomen in literatuur en film, denk maar eens aan Vestdijks De ziener en Hitchcocks Rear Window.

Nu weten wij als kijkers echter veel meer dan deze Wiesler. Wij zien het kunstenaarspaar ook buiten de eigen woning, én wij observeren Wiesler op zijn beurt, krijgen ook inzicht in diens nogal desolate privéleven. Zo nu en dan worden we getuige van scènes, die we eigenlijk niet horen te zien. De camera laat ons dan achter een geparkeerd busje vandaan gluren of vanuit een ongewoon perspectief.

Bij een vrijscène tussen de minister en de door hem begeerde vrouw in een auto bevinden we ons in dezelfde positie als de chauffeur, die in zijn spiegeltje enigszins gegeneerd naar de achterbank kijkt. Alleen krijgen wij het hele beeld. Wij zijn als kijkers een soort super-Wiesler. En net als hij oordelen wij op basis van wat we te zien krijgen. Dat die oordelen verschillend uitvallen, maakt duidelijk dat we eigen ervaringen en vooroordelen laten meespelen.

De film is dus zelfreflexief: hij problematiseert zo zijn eigen rol en dus ook die van de kijker. Echte kunst laat altijd meer zien over de eigen tijd dan over de tijd waarover wordt verteld. Das Leben der Anderen is dus gewoon een hele goede film.

Anthonya Visser is hoogleraar Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden.