Is dit nu een ‘brandhaardwijk’ ‘We investeren hier honderden miljoenen euro’s’

Pendrecht is een Rotterdamse buurt waar de witte middenklasse massaal weggevlucht is. De wijk kampt met drugsoverlast en geweld. Een sociaal-economisch portret van een ‘brandhaardwijk’.

Het centrale plein oogt als een plaatje: ruim opgezet, opvallend schoon en aan één zijde geflankeerd door drie moderne woonflats. Menige buurt, zeker die in de ‘probleemstad’ Rotterdam, zou jaloers zijn op Plein 1953. Is dit nu het epicentrum van ‘brandhaard’ Pendrecht?

„We zijn op de goede weg, maar we zijn er nog lang niet”, nuanceert Duco de Bruijn (56), die kantoor houdt aan het plein en het algehele gevoel in de achterstandswijk in Rotterdam-Zuid verwoordt.

Maar Pendrecht komt dan ook van ver, beseft De Bruijn, die als projectleider leiding geeft aan de werkgroep Pendrecht Zet Door. In de afgelopen jaren was de ruim 12.000 inwoners tellende wijk geregeld het decor van spanningen (drugs, geweld, schulden, psychische problemen), zo niet voor een deel veroorzaakt dan toch versterkt door sociaal-economische achterstand. Dieptepunt vormde de moord, nu vier jaar geleden, op de 13-jarige Sedar Soares, die werd neergeschoten toen hij sneeuwballen gooide nabij metrostation Slinge.

Die donkere dagen behoren gelukkig tot het verleden, verzucht De Bruijn. Toch herkent hij zich in de noodkreet die minister Winsemius afgelopen najaar uitte: in zo’n veertig Nederlandse probleemwijken dreigen onlusten te ontstaan. „Ga een keer naar Pendrecht of de Afrikaanderwijk in Rotterdam, waar de vlam behoorlijk in de pan zit”, waarschuwde de toenmalige VVD-bewindsman van VROM, die in december zelf poolshoogte in Pendrecht nam.

Winsemius zag wat De Bruijn dagelijks ziet: een wijk van uitersten. Met enerzijds relatief veel autochtone ouderen (65-plussers) en anderzijds relatief veel allochtone jongeren (20-minners). In stadhuistaal: een wijk met een scheve bevolkingsopbouw en ook een scheve woningvoorraad. Een wijk bovendien waar het gemiddeld besteedbaar jaarinkomen ruim onder het – toch al lage – Rotterdamse gemiddelde (18.200 euro) ligt: 15.800 euro. De Bruijn: „Een wijk in transitie, maar met potentie en ook dat merk ik elke dag.”

Hij is de spil in de grootscheepse revitalisatie die twee jaar geleden werd ingezet om de wijk in de deelgemeente Charlois nieuw leven in te blazen. Maar liefst 62 maatregelen formuleerde de kerngroep – onderdeel van het ‘Pact op Zuid’ – om de verloederde buurt weer leefbaar te maken, variërend van de opvang van ontspoorde jongeren tot ruimhartige subsidies van het stadhuis voor investeerders.

De eerste resultaten stemmen De Bruijn „gematigd optimistisch”, ook al zijn niet alle doelstellingen, verspreid over zes thema’s (sociaal, bouwen en wonen, buitenruimte, veiligheid, economie en communicatie), binnen de gestelde termijn (1 januari 2007) gehaald.

„Maar als ik zie hoe de door ons opgezette vrouwenstudio functioneert, dan ben ik best trots”, zegt de ‘gebiedsmanager’. „Tweemaal per week komen daar vrouwen van verschillende pluimage bijeen – autochtoon én allochtoon – om te praten over allerlei maatschappelijke thema’s, en zijn er taal-en kooklessen. Die interactie, dat is prachtig om te zien.”

Maar aan de Slinge, de centrale winkelstraat die Pendrecht doorkruist, regeert de scepsis. „Die lui van Vitaal Pendrecht doen hun best, echt waar, maar ik moet nog zien of het allemaal gaat werken”, zegt een oudere man, die „onder geen beding” met naam en leeftijd in de krant wil. „Veel mensen kijken de kat uit de boom, zo van: waarom zou ik mij wel inspannen terwijl mijn buurjongen gewoon lekker zijn eigen gangetje blijft gaan?”

De Bruijn deed eind jaren negentig ervaring op in de beruchte Millinxbuurt, even verderop in de Tarwewijk, waar „de kogels je soms letterlijk om de oren vlogen”. Die ervaringen hebben de voormalige architect uit Dordrecht gehard. „Hoewel het natuurlijk nooit went, die ellende. Mijn omslagpunt was het moment dat wildvreemden bij anderen binnendrongen met de mededeling: zó, en nu is dit huis van ons, wegwezen jullie! Toen besefte ik dat het moment van pappen en nathouden voorbij was.”

Pendrecht geldt als een opvallend product van de jaren van de wederopbouw, opgezet door de befaamde architecte Lotte Stam-Beese (1903-1988) die op last van de gemeente Rotterdam een geheel nieuwe woonwijk ten zuiden van de Nieuwe Maas ontwierp. Haar vernieuwingsdrift vertaalde zich in de bouw van een tuinstad, met zo’n 6.000 hoog- en laagbouwwoningen en een sterke nadruk op groen en sociale samenhang.

Dat laatste creëerde Stam-Beese in de periode 1947-1953 met de aanleg van kleine buurten van nauwelijks honderd huishoudens, die in de juiste maatschappelijke verhoudingen en met eigen voorzieningen ‘basiseenheden’ vormden. Vooruitstrevend waren vooral de gezinswoningen met drie tot vier slaapkamers én een aparte woonkamer, met voor grotere gezinnen vaak een eigen tuintje. Zo ontstond een ‘knusse kneuterigheid’, die de Rotterdamse ‘modelwijk’ internationale bekendheid bezorgde.

Maar van Stam-Beeses idylle is weinig over. Het evenwicht is zoek, de wijk raakte in disbalans toen in de jaren zeventig „de langzaam maar zeker tot middenklasse opgeklommen autochtone bevolking massaal de wijk nam naar de voorsteden en overloopgemeenten als Barendrecht, Ridderkerk en Berkel en Roderijs”, in de woorden van de Rotterdamse wethouder Dominic Schrijer (Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid, PvdA). De uittocht uit Pendrecht staat volgens hem symbool voor ‘de witte vlucht’, waarvan de gevolgen de stad („zeker op Zuid”) nog altijd treffen.

In plaats van de witte middenklasse kwamen de immigranten, voor wie Stam-Beeses sociale woningbouw wél voldeed. Wat bleef waren grofweg de jongeren en de ouderen (40 procent). In de jaren tachtig en negentig volgde nog eens een instroom van duizenden immigranten, merendeels Antillianen, van wie de meesten laagopgeleid waren. Zo ontstond, naast een scheve woningvoorraad, ook een scheve bevolkingsopbouw.

Beide worden nu aangepakt, met als eindpunt het jaar 2012. Woningcorporatie de Nieuwe Unie sloopt en bouwt in totaal 1.200 woningen in de wijk (totaal 6.264 woningen), voegt daar 160 nieuwe wooneenheden aan toe, en renoveert er nog eens 1.224. Daarbij worden verhoudingsgewijs meer goedkope(re) koop- en huurwoningen teruggebouwd dan elders in de stad, en het traditionele ‘groene en open karakter’ zoveel mogelijk gewaarborgd. Aantrekkelijke instapvoorwaarden (kortingen tot 100 procent op de jaarlijkse erfpacht) deden de huizen snel in particuliere handen belanden. „Ruim de helft van de kopers blijkt van origine afkomstig uit Pendrecht; die keren nu terug, naar wat zij echt als hun wijk beschouwen”, zegt Pendrecht-manager Nico Ros van de Nieuwe Unie met gepaste trots.

Onder zijn leiding zijn sinds 1 februari de vestigingsvoorwaarden in de buurt aangescherpt, onder de noemer Lokaal Maatwerk Pendrecht. Mensen met schulden worden geweerd, het ondertekenen van een geen-overlastverklaring is verplicht en het aantal kamers moet corresponderen met het aantal bewoners. Wie in aanmerking wil komen voor een woning, moet bovendien minimaal twintig uur per week werken. „Zodat wij ervan uit kunnen gaan dat deze mensen een geregeld leven leiden, en niet ’s nachts bijvoorbeeld op straat rondhangen”, zegt Ros.

Met die aanvullende eisen borduurt de woningbouwvereniging voort op de vorig jaar ingevoerde Rotterdamwet, die in vier probleemwijken (Tarwewijk, Hillesluis, Carnisse en Oud-Charlois) werk uit inkomen verplicht stelt voor nieuwkomers. Ros: „Het klinkt wellicht hard en de spruitjeslucht slaat je tegemoet, maar deze maatregelen zijn nodig. Als grootaandeelhouder hebben wij wat te verdedigen in deze wijk. We investeren honderden miljoenen euro’s in Pendrecht.”

Die onorthodoxe aanpak is slechts een van de vele voorbeelden in Pendrecht, waar gebiedsmanager De Bruijn het sluiten van ‘vitale coalities’ als zijn voornaamste opdracht beschouwt. „Met alleen nieuwbouw of sloop red je het niet. Hetzelfde geldt voor repressie. Het gaat om het totaalplaatje: wonen, werk én veiligheid. Zijn die drie op orde én met elkaar verbonden, dan pas heeft Pendrecht weer een kans van slagen.”

Daarmee brengt De Bruijn het gedachtengoed van hoogleraar Pieter Tops uit Tilburg in praktijk. In zijn onderzoek naar stedelijke vernieuwing concludeerde de politicoloog, gespecialiseerd in lokaal bestuur, dat deze slechts succesvol verloopt als alle betrokken partijen een bondgenootschap sluiten: ambtenaren, bestuurders, bewoners, corporaties en instellingen. Cruciaal daarbij zijn, aldus Tops, een breed gedragen gevoel van urgentie, de bereidwilligheid van de creatieve sector om te (durven) investeren én politieke rugdekking.

Aan dat laatste ontbreekt het niet, maar in navolging van De Bruijn wil ook Dick Lockhorst, de PvdA-voorzitter van de deelgemeente Charlois waar Pendrecht onder valt, vooral niet te vroeg juichen. Als er al sprake is van een hersteld evenwicht, dan is die balans broos. Bureaucratie is zijn grootste vijand. „De kracht van het Pact op Zuid is de integrale aanpak, maar de praktijk wijst helaas uit dat alles toch weer in deelgebiedjes wordt opgeknipt, en wij onze plannen telkens moeten terugkoppelen naar de gemeentelijke diensten.”

Lockhorst put daarentegen hoop uit de lokale economie. „Ondernemers zien hun omzet weer toenemen”, constateert hij. „Ze durven weer te investeren, ze denken weer in mogelijkheden in plaats van moeilijkheden.” Geholpen worden de ondernemers daarbij niet alleen door de aantrekkende economie, maar ook door het ruimhartige stimuleringsbeleid van de gemeente. Wie bereid is om geld te steken in een ‘kansenzone’, kan tot de helft van zijn investeringsbedrag terugkrijgen. Opvallend veel kunstenaars hebben al gebruikgemaakt van het aanbod.

De Bruijn schaamt zich echter voor het bord dat prominent in de wijk staat, voorzien van de tekst ‘Wij gaan puien renoveren’. „Tijdens een informatieavond voor buurtondernemers moesten Dick en ik laatst opnieuw vragen om geduld. Dat houdt een keer op. Deze mensen zijn bereid hun nek uit te steken door in moeilijke tijden door te gaan, maar dan moeten ze wel de steun krijgen die hun is toegezegd, want anders zeggen ze op een gegeven moment: jongens, de groeten en succes met je mooie praatjes.”

Lockhorst deelt die mening, maar al te zwartgallige bespiegelingen zijn niet aan hem besteed. Grijnzend: „Nog niet zo lang geleden ging men elkaar hier met kogels te lijf, en je moet de buurtbewoners nu eens horen! Ze maken zich nu druk over de hondenpoep op straat. Bizar of niet, maar dat is vooruitgang.”

In Pendrecht concentreren de zorgen zich rondom de Ossenissebuurt die, zolang herstructurering uitblijft, als „een bedreiging voor de veiligheid en leefbaarheid in deze wijk” wordt beschouwd, zoals de deelgemeente al eerder schreef. Extra aandacht verdient ook de jeugd, weet De Bruijn. „We hebben hier nogal wat jongeren rondlopen die beroerd gedrag vertonen: weinig tot geen verantwoordelijkheidsgevoel en een belabberde seksuele moraal.”

Uit de jaarlijkse veiligheidscijfers, opgesteld door de gemeente Rotterdam, blijkt Pendrecht aan de beterende hand, ook al scoort de wijk nog altijd een onvoldoende. De Bruijn: „Onveilig zou ik het hier niet willen noemen, unheimisch op sommige plekken wel. Wat niet wegneemt dat samenscholende Antillianen als bedreigend worden ervaren, terwijl die jongens misschien niets kwaads in de zin hebben. Maar het gevoel bij mensen springt op rood, zeker bij ouderen, als ze ’s avonds met zo’n groep geconfronteerd worden.”